Angel Bat Dawid groeide op in een streng christelijk, maar muzikaal gezin. Ze begon klarinet te spelen, maar toch belandde muziek altijd op de tweede plaats. Toen het leven haar het meest dwars zat, haalde ze haar spaargeld van de bank. Ze reisde een jaar rond als fulltime muzikant en maakte – gewoon op haar iPhone – een van de meest eigenzinnige jazzplaten van het jaar. Haar debuut The Oracle is een eerbetoon aan de stad Chicago en spiritualiteit in zwarte muziek.

Tekst: Dirk Baart

Angel Elmore (alias Angel Bat Dawid) groeit op als kind van strenge ouders, maar toch staat zo’n beetje in de sterren geschreven dat ze een intense liefde voor muziek zal ontwikkelen. Sterker nog: dat ze van haar ouders niet buiten mag spelen, speelt haar alleen maar in de kaart. Want binnenshuis, daar zuigt Dawid alle muziek die haar vader draait op als een spons. “En dat was het beste van het beste”, lacht ze, aan de telefoon vanuit Chicago. “Funk, gospel, rap en rock, allemaal uit de jaren zestig en zeventig.” Zodoende luistert Elmore als kind al naar Funkadelic en ziet ze Sun Ra’s film Space Is the Place op haar dertiende. “Ik pakte altijd stiekem cd’s van zijn kamer en vergat ze dan terug te leggen. Dan hoorde ik hem roepen: ‘Waar is mijn Stevie Wonder?!’”

Haar vader is bovendien pastoor, net als zijn vader voor hem. Zijn vrienden en collega’s komen vaak over de vloer om samen de Bijbel te lezen en te zingen. “De zwarte pastoor is nogal anders dan de witte. “Ken je die scene in Blues Brothers waarin James Brown een kerkdienst leidt? Zo ging het er bij ons thuis ongeveer aan toe. Ik dacht dat m’n vaders vrienden beroemdheden waren. The Temptations ofzo.”

Het is ook haar vader die er voor zorgt dat Angel al vroeg het heft in eigen handen wil nemen. Op haar vijfde neemt hij haar mee naar Amadeus, de muzikale dramafilm over het leven en de dood van Mozart. “Als je Mozart wilt leren kennen, moet je die film maar eens kijken: al z’n beste werk zit erin. Ik heb de soundtrack zelfs op vinyl.” De scène die vooral indruk op haar maakte, was er een waarin Mozart van zijn vader een blinddoek om krijgt en vervolgens feilloos klavecimbel speelt. De toekomstige stercomponist is op dat moment ongeveer net zo oud als Angel in de bioscoop. “Ik wist helemaal niet dat kinderen ook muziek konden maken! Sinds dat moment wilde ik alles weten wat er over muziek te weten valt.” Elmore begint op de klarinet, al weet ze zelf niet zo goed waarom. Het enige voorbeeld dat ze heeft is stadsgenoot Benny Goodman. “Maar als twaalfjarige die probeert cool te zijn is zo’n corny white dude niet per se inspirerend.” Stiekem wil ze veel liever viool spelen, zoals ze heeft gezien in Fiddler on the Roof. Uiteindelijk vindt ze in de bibliotheek (“er was nog geen YouTube”) een cassette die haar het instrument doet omarmen: Mozarts klarinetconcert.

“Eigenlijk best ironisch dat ik zo beïnvloed ben door de grotendeels witte wereld van klassieke muziek terwijl ik zo militant ben over mijn eigen zwartheid”, mijmert Elmore jaren later. “Toen ik verder begon te komen in dat wereldje, was ik ineens het enige zwarte meisje. Ik speelde muziek die zwarte mensen meestal niet spelen, dat was nogal een uitdaging. Het voelde vaak alsof ik te zwart was voor de witte wereld en te wit voor de zwarte. In de VS is het onderscheid tussen die twee echt nog heel scherp, terwijl ik juist iemand was die tussen de wal en het schip viel. Ik luisterde als tiener naar Nirvana, The Doors en Led Zeppelin, maar ook naar Tupac, The Beatles en klassiek.” Alleen jazz, dat duurde best lang. Stiekem snapt Elmore er pas een jaar of vijf écht iets van. Tuurlijk had ze weleens van John Coltrane en consorten gehoord, maar verder vond ze het genre tot voor kort nogal intimiderend. De real stuff leert ze pas kennen als ze begint te werken in een platenzaak. “Daar luisterde ik vijf dagen per week negen uur per dag naar albums van zwarte jazzlabels”, herinnert ze zich.

Jazz brengt Elmore naar een nieuwe fase in haar muzikale bestaan. Ze kan ieder klassiek stuk al spelen en lezen, maar zelf iets schrijven wil maar niet lukken. Op een jazzavond wordt ze uitgenodigd mee te spelen en krijgt ze een tip over een softwareprogramma om muziek mee te maken. We schrijven de vroege jaren nul, dus erg uitgebreid is het nog niet. Maar toch: Elmore kan ermee aan de slag. “Ik luisterde naar mijn favoriete hiphopnummers en noteerde hun baslijnen in het programma, eigenlijk zoals een klassieke componist zou doen.” Een andere strategie die Elmore vaak gebruikt: net zo lang meespelen met haar favoriete platen tot een origineel idee zich opdringt. Vroeger deed ze het met Mozart, vanaf dan met Coltrane en Sun Ra. “Een album is als een bibliotheek voor me”, legt ze uit, “waarop legendes hun lessen hebben achtergelaten zodat wij naar ze kunnen luisteren en van ze kunnen leren. Het is de best denkbare universiteit. Waarom zou ik een heleboel geld betalen om te leren van iemand die waarschijnlijk lang niet zo veel weet als John Coltrane?”

Op zo’n universiteit zit Elmore in eerste instantie wel. Ze volgt lessen aan de Roosevelt University in Chicago als het leven haar dwars begint te zitten. Ze krijgt te maken met een hersentumor die uiteindelijk operationeel verwijderd dient te worden. Om de rekeningen te kunnen betalen ziet ze zich gedwongen een beter betalende baan te nemen, in een chique lingeriewinkel. Muziek komt op de tweede plaats terecht. “Ik moest al mijn tijd besteden aan volwassen worden”, vertelt ze. “Het was deprimerend. Alles waar ik in mijn jeugd in had geïnvesteerd werd ineens naar de achtergrond verdrongen. Familieleden vroegen zich af of ik überhaupt nog wel muziek maakte.”

De ommekeer vindt plaats in 2012, als Elmore zich aansluit bij een groep helderzienden in Chicago. Met hen gaat ze op een reis naar Mexico. “Daar had ik zo’n fijne tijd en vond ik zo veel duidelijkheid. Misschien lag het eraan dat ik even het land uit was, maar ik dacht: ik kan niet thuiskomen en dan op dezelfde voet verder gaan. Dat is gewoon onacceptabel.” Terug in de Windy City trekken jamsessies met een vriend Elmore uit haar depressie. Ze besluit haar baan op te zeggen en met het geld dat ze gespaard heeft in een pensioenfonds een jaar lang te proberen fulltime muzikant te zijn. Ze vindt een klein huis aan de kust van Lake Michigan, waar haar buren zo ver weg wonen dat ze de hele dag probleemloos muziek kan maken. Ze betaalde meteen haar huur voor een jaar en begon te werken aan wat uiteindelijk The Oracle zou worden. “Alles lag vanaf dat moment weer open. Daarom grijp ik nu iedere kans aan om iedereen ter wereld aan te moedigen: doe wat je leuk vindt. Tuurlijk heb ik ook dingen opgeofferd. Wanneer was de laatste keer dat ik eens lekker heb gewinkeld? Geen idee, maar het maakt niet uit. Toen ik een dikke baan had, was ik nog steeds ongelukkig. Nu heb ik minder spullen, maar kan ik wel doen wat ik wil.”

Elmore gebruikt haar spaargeld dat jaar ook om rond te reizen. Op The Oracle refereert ze bijvoorbeeld aan tripjes naar Londen – waar de jazzscene momenteel minstens zo bruisend is als in Chicago – en Kaapstad, waar ze improviseert met de Zuid-Afrikaanse drummer Asher Simiso Gamedze. “Ik ben er heel erg aan gewend om in het buitenland te zijn”, vertelt ze. “Mijn vader nam ons altijd mee op missionariswerk, daarom was ik al op jonge leeftijd veel in het buitenland. Als zich een kans aandient om te gaan, heb ik mijn koffers al gepakt.” Twee uur nadat ze Gamedze heeft ontmoet, zit Elmore al bij de drummer thuis. Hun jamsessie van een kwartier belandt uiteindelijk integraal op haar album als ‘Cape Town’. “Ik had het gewoon opgenomen met mijn iPhone, maar die track móést gewoon op de plaat, zo belangrijk voelde die dag voor ons. Kort nadat we die jam hadden opgenomen, stuurde Asher me een mail waarin hij uitlegde waarom: we zijn twee muzikanten die zich buiten het systeem bevinden, maar die weten dat er iets in ons schuilt dat we moeten delen met de wereld. Niet op een arrogante manier, maar dat wéten we gewoon.”

“Ik wilde die jam er ook op zetten om mensen aan te moedigen om samen te komen met hun vrienden en muziek te maken. Je hoeft daar helemaal geen muzikant voor te zijn: je kunt gewoon samen zingen, zoals we vroeger deden toen er nog geen televisie was. Nu er zoveel technologie is die ons individualistisch maakt, moeten we veel gerichter op zoek naar momenten van menselijkheid.”

Die momenten vindt Elmore vooral met The Brotherhood, het zevenkoppige collectief dat als haar band fungeert. De groep is het resultaat van een zorgvuldig uitgevoerde zoektocht, legt Elmore uit. “Weer iets dat ik heb geleerd van een album: in de liner notes van Soul Box legt Grover Washington Jr. uit hoe je een ensemble samen moet stellen. Het belangrijkste is dat de mensen goed met elkaar overweg kunnen. Daarna pas kijk je naar de binding die ze hebben met de muziek en dán pas naar hun technische kwaliteiten. Dus als je een jazz cat kent die weliswaar alles kan spelen, maar een fucked up persoonlijkheid heeft, dan gaat het niet werken.” Elmore ontmoet de meeste van haar bandgenoten bij zondagse free jazz jamsessies die in Chicago worden georganiseerd door multi-instrumentalist David Boykin. “Ik had helemaal niet zoveel met free jazz, maar hij moedigde me aan om gewoon iets te spelen. Dat opende echt een deur voor me.”

Met The Brotherhood brengt Angel Bat Dawid nu een ode aan Chicago. Aan de Association for the Advancement of Creative Musicians (AACM) bijvoorbeeld, een groep oudere muzikanten die op een steenworp afstand van Elmore’s huis vooruitstrevende muziek maakt. Geheel buiten de mainstream, op zijn eigen. Zo’n beetje de hele Brotherhood verslindt het boek dat George Lewis (sinds 1971 lid van AACM) schreef over het collectief. “Daardoor wilden wij ook meer dan een band zijn, een soort coalitie vormen: de Participatory Music Coalition. Veel muziek is nu presentationeel: er is een podium en een publiek. Onze muziek is anders, komt voort uit veel oudere en zwartere vormen van muziek. Kijk bijvoorbeeld weer naar de zwarte kerkdienst. Als een pastoor daar iets zegt dat je aanstaat, dan mag je gewoon keihard amen roemen. Met onze muziek is dat net zo. Spiritualiteit hoeft niet in stilte uitgevoerd te worden.”

The Brotherhood bezoekt in die periode geregeld shows van leden van de Association. Na een van die shows stapt Elmore met haar boek op pianist Muhal Richard Abrahms af om te vragen om een handtekening. “Hij leerde me een les die ik nu doorgeef aan iedereen die ik spreek. Hij keek me in mijn ogen en zei: als jij voor de muziek zorgt, zal de muziek voor jou zorgen. En ik geloof hem, kijk maar naar hem. Hij overleed in 2017, maar heeft een lang en prachtig leven geleid.”

Sowieso leren relatief jonge muzikanten als Elmore in Chicago veel van gevestigde jazzmusici. Er heerst een grote mate van verbondenheid, ook tussen jazzmusici en collega’s uit andere genres. The Oracle vertoont bijvoorbeeld verwantschap met het werk van R&B-nieuwkomer Noname, terwijl de autotune op opener ‘Destination’ sterk doet denken aan zo’n beetje de bekendste muzikant uit de stad: Kanye West. “Het is allemaal gewoon great black music”, legt Elmore uit. “De zwartheid van muzikanten uit Chicago manifesteert zich niet alleen in de kleur van onze huid, maar ook in een bepaalde stijl, die gebaseerd is op de traumatische geschiedenis die we op onze schouders meetorsen. Zwarte mensen hebben altijd moeten zoeken naar manieren om zichzelf te uiten onder beperkende omstandigheden. Dat gebeurt in de zwarte kerk, maar bijvoorbeeld ook in hiphop. Dat is gewoon ontstaan vanuit een groep jongeren die de behoefte had om muziek te maken, maar niet de middelen had om instrumenten te kopen en het dus met platen op draaitafels moest doen.”

“Het maakt mensen oncomfortabel als zwarte mensen zich uitdrukken”, vervolgt ze. “Wat dat betreft is Kanye West natuurlijk een uitstekend voorbeeld. Mensen houden zich zo graag bezig met wat hij allemaal zegt dat het steeds minder gaat over hoe vooruitstrevend een album als Yeezus is. Chicago heeft nou eenmaal iets dat improvisatie en experiment aanwakkert in artiesten.”

Een ander figuur uit Chicago dat een centrale rol speelt op The Oracle is dr. Margaret Burroughs, een visueel kunstenaar en dichter die in 2010 op 95-jarige leeftijd overleed. Elmore liet zich inspireren door haar gedicht ‘What Shall I Tell My Children Who Are Black’, een van de aangrijpende hoogtepunten op haar debuut. “We speelden toen op een soort festival dat een ode bracht aan haar, dus ik wilde graag iets speciaals doen. Toen stuitte ik op dat gedicht. In de originele uitvoering las ik het helemaal voor, maar het is heel lang, dus heb ik het in een soort canonvorm op het album gezet.” De afsluiter van dat album schreef Elmore vervolgens in de achtertuin van Burroughs’ oude huis, waar ze stiekem naar binnen was geglipt. “Het is hier gewoon in de straat. Er woont nu niemand meer, er zitten allemaal wasberen. Maar het huis heeft zoveel geschiedenis. Mensen als Langston Hughes (dichter, schrijver en sociaal activist, red.) en Gwendolyn Brooks (dichter, schrijver en lerares, red.) kwamen daar gewoon over de vloer. Ik heb gewoon een tijdje in de tuin gezeten en gemediteerd. Toen ik terug thuis kwam schreef ik ‘The Oracle’, in een soort trance. Ik weet dat mensen het vaak hebben over spirituele jazz. Voor mij is dat heel gek: alle jazz – en eigenlijk alle zwarte muziek – is spiritueel. Ook hiphop. Vanuit welke spirit het komt weet ik niet, maar we doen allemaal iets dat verder gaat dan het vleselijke bewustzijn.”

Waar Burroughs’ geest rondwaart in de afsluiter van het album, opent de plaat juist met een referentie aan een andere geleerde: dr. Yussef Lateef. Of het nou om zijn album The Centaur and the Phoenix, zijn compositieboek The Repository of Scales and Melodic Patterns (“daar staat een hele mooie diagram van John Coltrane in!”) of zijn science fictionroman A Night in the Garden of Love gaat: Elmore ontwikkelt een ware obsessie met hem. “Het gedicht dat ik heb gebruikt, ‘Destination’, komt uit het boek Spheres. Het gaat over iets heel dieps: je laatste gevoel uit, je bestemming.”

Haar bestemming, die lijkt Angel Elmore met The Oracle in ieder geval ten dele bereikt te hebben. Het is een album dat bol staat van grote ideeën over muziek en segregatie in de Amerikaanse samenleving, maar dat ook een heel concreet voorbeeld vormt van de manieren waarop muziek iemands leven kan verbeteren. “Het was hard werken, hoor. Ik ben geen natuurtalent, maar oefen nog steeds elke dag en moest sterk in mijn schoenen staan toen ik dit album in m’n eentje wilden schrijven en mixen. Tegelijkertijd voel ik me gezegend dat ik een tijd leef waarin ik gewoon mezelf kan zijn. Angel, een zwarte vrouw. Door mezelf te zijn, hoop ik ook andere mensen te kunnen inspireren zichzelf te zijn.”

Dat idee om een steentje bij te dragen aan andermans leven speelt een belangrijke rol in The Oracle, sluit Elmore af. “Toen het album af was heb ik het veel geluisterd aan de zuidkant van Chicago, die is bijna helemaal zwart. Je ziet zwarte gezinnen, zwarte mensen die problemen hebben met criminaliteit en drugs, zwarte kunstenaars… Ik hoop dat mijn album voor al die mensen kan doen wat zo veel albums voor mij hebben gedaan in het verleden. Verder hoef ik niet beroemd te worden ofzo. Ik heb veel geld gehad en een beetje: daar heb ik al lang geen boodschap meer aan. Ik doe wat ik wil en ben gelukkig. De rest is een bonus.”

The Oracle is uit via International Anthem. Op zaterdag 30 maart speelt Angel Bat Dawid op Rewire in Den Haag.

Gepost door:Dirk Baart

Oude ziel en notoir anglofiel. Dirk is mede-oprichter van Front, assistent-programmeur bij Poppodium EKKO in Utrecht en marketeer bij Into The Great Wide Open en Valkhof Festival.