Sant Llorenç, het derde album van de Catalaanse groep Jo Jet i Maria Ribot, is een project over familie en het verstrijken van tijd. Een indrukwekkende reflectie op de emotionele erfenis van de generaties voor ons. “Ons leven zit verankerd in de levens van anderen”, vertelt Jet Serra Morales, die over zijn neefjes en nichtjes begint: “Ik zie nu hoe zij dezelfde zomer leven die ik vroeger leefde. Dat zette me aan het denken over hoe de dingen veranderen maar tegelijkertijd hetzelfde blijven.”

Tekst: Rong Zwemmer

De video’s bij Sant Llorenç zijn ontroerend. Met een slabbetje voor krijgt een baby pap gevoerd. Twee zusjes gebruiken het bed als trampoline. Een jongen helpt vastberaden zijn vader met de auto wassen voordat hij met dezelfde spons, enorm in zijn hand, zijn eigen speelgoedauto begint onder te soppen. Het zijn familiefragmenten uit die rommelig gefilmde videobandopnames waar de datum met witte letters nog onderin het beeld schittert. Veel onschuldiger dan dit wordt het niet. Maria en Jet zingen er prachtig overheen en voordat je er ergen in hebt snak je terug naar je eigen jeugd.  

Tien jaar terug startte Jet (eigenlijk Jordi) zijn singer-songwriter-project, Jo Jet. Op een willekeurig feestje zag hij Maria Ribot Farrés voor de gein een liedje zingen. Met haar stem in gedachten schreef hij zijn volgende nummer. Ze namen het op, traden op, en dat was dat. Inmiddels zijn ze drie albums verder en maakt het project Jo Jet i Maria Ribot meer dan alleen muziek. Het duo is uitgegroeid tot een breder artistiek collectief met als standplaats Manresa, in het hart van Catalonië. “We definiëren ons niet zozeer als muzikanten, maar als artiesten die iets willen uiten”, zegt Jet, al doen ze dat in de eerste plaats via muziek. Met ieder conceptalbum willen ze hun publiek aan het denken zetten. Ook met Sant Llorenç.

“We wilden niet meer zingen over een gebroken hart. We wilden onze authentieke zelf laten zien. En dat was een andere waarheid dan op onze vorige albums.”

Jo Jet

Naast elkaar passen Maria en Jet net niet in het Skype-scherm. Nadat ze vlug wat onverstaanbaars tegen elkaar mompelen staat Maria op. Het volgend moment zweeft een cd van Tsjaikovski in beeld. De naam van de Russische componist staat sierlijk geschreven op het foldertje in de rug. Alleen daarvoor, op het plastic hoesje, staat gek genoeg een gifgroene sticker geplakt met de songtitels van Sant Llorenç, alsof Banksy en zijn spuitbus zijn langs geweest. Maria draait het album om. Op de voorkant kijkt een jongetje met blote borst ondeugend voor zich uit, zijn haren nog nat van een zwempartij: dit is niet Tsjaikovski. Hij houdt zijn linkerhand over zijn neus en mond, zodat de ogen alle aandacht vragen. Zijn blik staat speels. Je zal vooral moeten glimlachen als je naar hem kijkt. 

Het wordt me uitgelegd. Voor de fysieke verkoop van hun laatste album, hergebruiken Maria en Jet oudere cd-verpakkingen: ze vervangen het oorspronkelijke cd-schijfje met die van Sant Llorenç, verwijderen het binnenboekje met hun eigen, en plakken op de voor- en achterkant gifgroene stickers met daarop: Sant Llorenç. “Wij bouwen voort op de levens van anderen”, licht Jet het overkoepelende thema toe. “Deze cd heeft al een leven gehad, maar niemand luistert er meer naar. Op deze manier geven wij het een nieuw leven.”

De albumtitel is de naam van het plaatsje waar Jet als kind zijn zomers doorbracht. Toen het tijd werd om voor een nieuw project te gaan schrijven, keerde hij terug naar het zomerhuis van zijn familie. De herinneringen kwamen bovendrijven en stapelden zich op. In ‘Sant Llorenç’ herinnert hij zich de geur van koffie na de familielunch, maar de huidige leegte overheerst op de titeltrack: het verlaten zomerhuis krioelt met de ronddolende geesten van het verleden. 

Geen woord Catalaans hoeft de luisteraar te verstaan om te proeven wat de songs uitdragen. De sfeer van Sant Llorenç is reflectief. Nostalgisch. Punk noemen ze het zelf vooral. “Tedere punk”, zegt Jet en hij moet een beetje grinniken alsof hij dit zichzelf voor het eerst hoort zeggen. “Maar dan op onze manier.” Want het moest rauwer. Het moest eerlijker. Sant Llorenç is een nieuw geluid voor Jo Jet i Maria Ribot. “De muziek die we eerst maakten was perfect voor als je wilt zingen over mensen met een gebroken hart. Maar we wilden het over andere onderwerpen hebben. En dus moesten we experimenteren met een nieuwe taal, en een nieuwe manier van zingen.”

“Als je iets een tweede of derde keer voelt, voel je dat nooit meer als de eerste keer. Al is het dan wel weer intens om juist dat te realiseren.”

Jo Jet

“Ik wilde meer schreeuwen”, voegt Maria toe. “Ik voelde me vrijer. We hadden het gevoel dat mensen over ons dachten, o dat is dat lieve meisje dat mooi zingt en die jongen die…” Diepe zucht. Te verveeld om er over uit te wijden. Jet: ‘‘We wilden een andere kant van onszelf laten zien. Mensen denken dat we gevoelig en lief en aardig zijn, maar we zijn ook rauw en agressief op een bepaalde manier. We wilden niet meer zingen over een gebroken hart. We wilden onze authentieke zelf laten zien. En dat was een andere waarheid dan op onze vorige albums.”

De liedjes liegen er niet om. Ze verhalen over de afvlakking van intense gevoelens met het ouder worden. “Als je iets een tweede of derde keer voelt, voel je dat nooit meer als de eerste keer”, vertelt Jet. “Al is het dan wel weer intens om juist dat te realiseren.” Ze zingen over suïcidale gedachten en een familielid dat leeft met depressie. De protagonist houdt van haar maar worstelt met deze relatie en weet dat dit altijd zo zal blijven. Niets wordt verbloemd. 

Wat hun muziek bijzonder maakt – de samenzang op de voorgrond, het gitaargeluid van Jet, het menselijke – laat zich het beste zien op nummers als ‘Ja t’havia escrit un cop’ (‘Ik had je al een keer geschreven’) en ‘Va calant’ (‘Blijf filteren’). Aan de liedjes kleeft iets raadselachtigs, iets spannends, alsof ze je geheimpjes toevertrouwen. Het geluid bouwt zich subtiel op, iets onheilspellends hangt in de lucht. Eerst fluisteren ze, daarna volgt de uitbarsting. Dan zingen ze je weer zachtjes toe. De onrust voorbij. En de gitaar zwijgt. 

“Ja, zijn gitaarspel heeft een hoop personality,” zegt Maria enthousiast, voordat Jet kan reageren op mijn lofzang. Nick Drake, José González, en Fink noemt hij op als zijn muzikale voorbeelden die zich karakteriseren door een open tuning. Met name ‘Estiu 27’ (Zomer 27) laat Jets gitaargeluid mooi horen. Jet prijst op zijn beurt de zang van Maria: “Nog los van de techniek en de kleur van haar stem, beschikt ze over een menselijke skill om in een song te kruipen. Om te voelen wat ze zingt. That’s what really amazed me.”

Met liefde en vuur spreken Maria en Jet over wat ze doen. Toch eindigen we ons gesprek op een jammerlijke toon. Hun huidige situatie vinden ze lastig; ze maken zich zorgen. Normaal werken ze met een uitgestippeld negenmaandenplan, maar de maatregelen rondom het virus gooiden uiteraard roet in het eten. Sant Llorenç verscheen vlak voordat de wereld ophield. De albumpresentatie werd afgelast, net als een flinke reeks concerten. Onder bepaalde voorwaarden hebben ze deze zomer nog twaalf optredens kunnen geven: het publiek droeg mondkapjes en hield twee meter afstand. Dat was nog vrij veel, geven ze aan, kijkend naar andere bands. Hun muziek nodigt het publiek uit om te gaan zitten, dat werkt in hun voordeel in de nieuwe realiteit. 

Nu werken ze vooral aan nieuwe songs. Jet schreef er acht in tien dagen: “Of het was is zien we over een tijdje.” Ze schrijven blijere nummers nu, waar ze zelf ook een beetje verbaasd over zijn. De punk houdt echter stand: “We are less concerned now if it’s well done or correct. If we feel like we are gonna do it this way, we are gonna do it this way. We always try to do things differently. We do it because we feel it.

Sant Llorenç is nu uit. Koop het album op de website van Jo Jet i Maria Ribot. 

Gepost door:Rong Zwemmer

Liefhebber van muziek en muziekjournalistiek. Schrijft profielen voor Front.