Het is toch even schrikken, als na twee gevoelige nummers over liefdesparanoia en alledaagse onzekerheid plots een vlammende drumcomputer klinkt en gabbertrack ‘Machteloos’ losbarst, en dan even later gierende garagerock en nog wat later zelfs een evangelische ode aan Hoog Catharijne. Nee, Multimens, het zevende album van Lucky Fonz III, is geen plaat van nuances. Multimens is een schizofrene plaat die op elke track als haast weer een andere plaat klinkt en dat is precies zoals het is bedacht. Waarom zou hij anders de samenwerking aangaan met veertien(!!) verschillende producers?

Tekst: Ruben van Dijk
Foto’s: David van Dartel

Locatie van gesprek, waar Otto Wichers uitleg zal geven, is zijn vaste restaurant, pal aan de Dijksgracht en op een steenworp afstand van het Scheepvaartmuseum. “Is het je opgevallen dat het Scheepvaartmuseum aan alle kanten omringd is door water? Het is echt een eiland – en vroeger was het dus één van de grootste gebouwen in Europa,” vertelt hij later als we teruglopen. Oh, en: “In de zomer kun je hier heel lekker zwemmen.” En: “Tot een paar jaar geleden was dit stuk nog verboden terrein. Toen woonden Geert Wilders en Ayaan Hirsi Ali hier enzo, super streng beveiligd.”

Noem hem een feitenkanon, of een spraakwaterval, maar opvallend genoeg begint Multimens juist met een oproep aan zichzelf om te beginnen met praten, “misschien is dat goed.” Wichers heeft zich altijd opengesteld, is altijd eerlijk geweest, vooral sinds hij fulltime in het Nederlands is gaan zingen, los van poëtische conventies. “Ik wil dat niemand me belt / net zo lang totdat / ik me eenzaam voel / omdat niemand me belt,” zo mijmerde hij op ‘Hou Je Nog Van Mij?’ Maar stelde hij zich open, dan was het altijd naar zichzelf, en daar moest op Multimens maar eens verandering in komen. Multimens is het verhaal van een man die met open armen de wereld tegemoet treedt om juist zichzelf te leren kennen. Het is een overduidelijke rode draad op een plaat die op muzikaal gebied alles doet om aan die draad te ontsnappen.

Wanneer dacht je bij jezelf: weet je wat, ik ga voor íédere track een andere producer vragen?
“Eigenlijk vier jaar geleden al. Het oorspronkelijke plan voor In Je Nakie was om met allerlei verschillende producers te werken. En dat heb ik ook geprobeerd, maar op de een of andere manier ging dat niet. Ik had bij elke producer een ander probleem. Bij de een was het een logistiek probleem, bij de ander kwamen we er artistiek niet helemaal uit, de ander wou dan weer niet. Die plaat is ook een halfjaar later uitgekomen dan had gemoeten, omdat ik na een half jaar dacht: het wérkt gewoon niet. En de grap is natuurlijk: als je met allerlei verschillende mensen iets hebt waardoor iets niet kan, ofwel tijdproblemen, ofwel artistiek, of het klikt niet ofzo, dan weet je: oh, het ligt aan mij. Snap je wat ik bedoel? Er waren zoveel gekke problemen en bij elkaar geteld dacht ik: misschien ben ik hier gewoon niet klaar voor of ben ik mentaal niet open ofzo. Want ik kom natuurlijk heel erg uit een solipsistische wereld. Ik ben heel erg iemand die in het begin van mijn carrière, in een reactie op alle negatieve reacties op wat ik deed, een soort muur heeft opgebouwd. Zo van: hier wil ik een plek voor mezelf hebben, waar ik zelf kan doen wat ik wil, waar ik zo vrij en kwetsbaar kan zijn als ik wil. Uiteindelijk maak je dan in die wereld je muziek en wordt het gewaardeerd omdat het dat gevoel heeft, dat het echt een heel persoonlijk iets is van iemand. Maar ja, dat is ook alweer veertien jaar geleden ofzo. En op een gegeven moment dacht ik: ik kan nu voor altijd zo doorgaan, maar ik dacht óók bij mezelf: er is een moment dat die muur je beschermt en er is een moment dat die muur je isoleert.”


“Als je met allerlei verschillende mensen iets hebt waardoor iets niet kan, dan weet je: oh, het ligt aan mij.”

“Heel veel van de nummers van dit album had ik al geschreven voor mijn theatertour hiervoor. En die show was echt het verhaal van iemand die meer in contact wil staan met de wereld, en dat de wereld ook meer in contact staat met hem – dat er een soort energie back and forth kan gaan. Heel veel van die nummers gaan ook over iemand die over die muur wil kijken. Het begint al met ‘Praten’. ‘Ruwe Bolster, Blanke Pit’ gaat ook over die muur. En ik dacht op een gegeven moment: als dit de thematiek is van die nummers, en als ik dit de vorige keer geprobeerd heb, en als het nu nog in m’n hoofd zit, dan moet ik het gewoon nog eens proberen.”

“Ik had een lijst gemaakt met producers en ik had het idee dat het gezond zou zijn om te kijken hoe andere mensen werken, te kijken wat er gebeurt als ik hen in mijn muurtje laat en als ik hen materiaal geef en kijk wat ze ermee kunnen doen. Dus als ik werk met mensen die ik interessant vind, die ik artistiek vertrouw, dan moet er toch iets tofs uit komen. En op de een of andere manier ging dat nu veel makkelijker. Misschien dat ik zelf wel wat opener ben geweest, met misschien wat meer zelfvertrouwen. En uiteindelijk heb ik zelfs één nummer zelf geproduceerd.”

Dat is ‘909’, het laatste nummer op de plaat. Is dat ook het laatste nummer dat zo tot stand kwam?
“Ja, bijna wel ja. Sterker nog, toen ik begon aan de plaat, had ik die techniek nog helemaal niet.”

Dus het is echt een heel leerproces geweest – om de plaat uiteindelijk met ‘909’ te kunnen eindigen?
“Het is ook wel ironisch natuurlijk, dat je dan eindigt met iets dat je heel solipsistisch gemaakt heb.”

Terug bij af.
“Haha ja, terug bij af. Maar eigenlijk gaat ‘909’ er ook over dat je een vrolijke relatie hebt met de wereld om je heen. En de 909, da’s een drumcomputer – de Roland TR909. Heel veel nummers op het album gaan ook over mijn relaties met dingen, met spullen, eigenlijk als een symbool voor de wereld om me heen. In ‘In De Loop Der Jaren’ gaat het over een sjaal die de wereld ingaat en dan weer terugkomt in m’n eigen wereld. ‘909’ gaat over die drumcomputer, mijn relatie met dat ding, en daarmee ook mijn relatie met beats, hoe dat ook op het album zelf een rol speelt. En in ‘Huisraad’ gaat het over de spullen in je huis, die lakens die beginnen te zingen. Het is allemaal een metafoor voor het contact zoeken met die wereld. En de grap is: uiteindelijk is dat verhaal van die nummers ook het verhaal van het maakproces geworden. Dat vind ik eigenlijk heel leuk. Het maakproces is ook het proces dat op het album wordt bezongen. Aan het begin is het: “praten / misschien moet je praten / begin eens met praten.” En het eindigt met iemand die heel erg in tune is – met apparaten en met de wereld.”

Goed. Je hebt dan een lijst met producers met wie je wil samenwerken. Hoe bedenk je dan met wie je welke track wil maken? De Sluwe Vos voor ‘Zoenen’ bijvoorbeeld, dat vond ik een hele interessante combinatie. Je kwam bij hem via z’n housemuziek, denk ik?
“Jazeker. Ik had een keer een track van hem gehoord, OG Anthem. Ook overigens echt een 909-sound. En op een gegeven moment dacht ik: ik ga een nieuw album maken en al die producers vragen, en dan moet ik hem ook hebben. Maar ze hebben zelf die nummers uitgekozen. Vaak kwam ik gewoon in de studio en dan speelde ik op gitaar of op piano, zo van: deze liedjes heb ik liggen. En meestal reageerden ze heel enthousiast op één ding, en ze kozen allemaal iets heel anders dan ik verwacht had. Zo’n Sluwe Vos, die is eigenlijk helemaal niet zoveel popmuziek gewend, dus ik denk dat -ie juist zo’n poppy liedje uitkiest, omdat daar voor hem ook wat nieuws te ontdekken valt. Dat vind ik wel leuk eigenlijk. ‘App Me’ is dan geproduceerd door Henk Koorn, de zanger van Hallo Venray. En dat is echt het meest indie wat je kan zijn in Nederland, die gaat dan ook voor de meest poppy track. Eigenlijk is Cartiez de meest poppy producer en die heeft dan best een psychologisch complex nummer gemaakt [‘Praten’, red.].”

Hoeveel creatieve vrijheid geef jij die producers dan, als je met dat liedje bij ze aankomt?
“Ja, heel veel! Ik heb ze bijna alle vrijheid gegeven. Ik dacht, ik geef ze gewoon in eerste instantie carte blanche, en dan kijk ik wel welke kant het op gaat en als ik het niet vet vind, dan kan ik wel ingrijpen. Kijk, de grap is: de nummers waren al af. De melodie is er, de tekst is er, de akkoorden zijn er en mijn stem is er. Het ritme is er nog niet, de instrumentatie en de arrangementen zijn er nog niet, weet je wel, en misschien kan je het tempo nog aanpassen. Maar toch, voor een singer-songwriter als ik is het nummer dan al best wel gedefinieerd. Dus dat gaf me ook het vertrouwen, want dat nummer kan voor mij toch niet stuk.”

Ik vond het heel opvallend dat nummers als ‘Ik Had Nog Willen Zeggen’ en ‘Machteloos’ qua thematiek veel gemeen hebben, maar uiteindelijk zo totaal anders klinken. Is dat ook iets dat vooral in die productiefase is gebeurd?
“Kijk, als je een tekst als ‘Ik Had Nog Willen Zeggen’ hebt… Dat is natuurlijk een mysterieuze tekst, want je weet niet wat er aan de hand is en het gáát er ook over dat je niet weet wat er aan de hand is. Je zou daar een droevig lied van kunnen maken of je zou er echt een paranoïde lied van kunnen maken. En Kubus koos duidelijk voor het laatste. Ik speelde het nummer voor hem en hij pikt dat er dan uit. Hij maakt er echt van die paranoïde beats onder, waardoor het echt het verhaal wordt van een nerveuze, paranoïde gozer. Je hoort: deze gast is gewoon een beetje overstuur. Terwijl, als je daar hele mooie strijkertjes onder zou doen, dan zou het meer gaan om het verdriet in die relatie. Dan zou je bijna denken: het komt niet meer goed. Dus dat vond ik wel leuk. In een nummer zijn er een aantal elementen latent. Singer-songwritermuziek is per definitie altijd een beetje abstract, niet alles is ingevuld en het is op een bepaalde manier minimalistisch, ook zoals ik het live speel. Maar de verschillende emoties zijn eigenlijk latent en je kan dat met productie dan ook omhoog halen. ‘Machteloos’, daar zou je in principe ook een ballade van kunnen maken met strijkers, en dan wordt het heel droevig ofzo. Nu is het een soort strijdlied geworden over iemand die er gewoon genoeg van heeft – vanwege al die hysterische drums. Dus die productie is eigenlijk een hele persoonlijke interpretatie van wat er in die nummers schuilt, van wat er al in zit, en dat wordt dan naar buiten gebracht.”

Maar ik kan me voorstellen dat ze het nummer ook heel erg kunnen herdefiniëren.
“Zo zou je het kunnen zeggen, ja. Of misschien een soort framing, dat je inzoomt op een bepaald aspect ervan. Bijvoorbeeld ‘Ruwe Bolster, Blanke Pit’ ofzo. Dat is meer een rocknummer geworden en dat had ik van tevoren ook helemaal niet bedacht. Ik kwam gewoon in de studio bij St. Tropez. Zij hadden een soort pop-up studio op Amsterdam Centraal en zij vroegen of ik langs kwam. Ik kwam daar helemaal niet met het idee om een nummer voor het album te maken. Ik vloog toen net terug uit Amerika, dus ik was helemaal gaar, ik had niet geslapen, en ik ben vanuit het vliegveld rechtstreeks naar centraal gegaan, zeg maar. Ik had echt totaal geen ambitie. Ik dacht: dit wordt toch niks, we hebben gewoon een leuke middag. Toen zei ik tegen hen: kunnen we niet een nummer van mij doen – dit zijn de akkoorden, zo moet het. En toen hebben we het een paar keer gespeeld. Het was gewoon grappig ofzo. Maar ik weet nog dat ik aan het zingen was en dat ik dacht: volgens mij klinkt dit best wel goed? Ik voelde het wel. Het was ook tof om zelf elektrische gitaar te spelen, want dat doe ik bijna nooit. En toen hoorde ik het terug de volgende dag en ik dacht echt: wooowww. Ik vond het zó vet. Alles wat in dit nummer zit komt eigenlijk zo mooi naar buiten. Hoe die gitaren in elkaar klikken, dat is eigenlijk precies die agressie van het nummer. Ik vind het begin ook heel mooi, want ik tel helemaal verkeerd af, als een soort trein die net niet ontspoort en ik dacht echt: wow, dit past echt heel goed. Toen heb ik ze opgebeld en gezegd: jongens, dit is zo’n toffe opname, het heeft helemaal de vibe die ik zoek – mag ik dit niet gewoon op m’n album zetten zo? Dan hoef ik dat ook niet meer te produceren en shit. Dat was echt zo’n moment… Dat voelt dan ook heel vrij voor mezelf, dat ik durfde te zeggen: ik ga dit op m’n album zetten, ook al is het een live-uitvoering. We hebben het publiek nog weg geknipt, want je hoorde nog drie mensen klappen ergens.”

Dat viel mij al meteen op: songs als ‘Ruwe Bolster, Blanke Pit’ en ook ‘In Utrecht Wonen Meisjes’ zijn veel rauwer van sound zijn dan bijvoorbeeld ‘909’ of ‘App Me’. Dat is natuurlijk het logisch gevolg van het feit dat je veertien producers op de plaat hebt, maar wat heeft het te maken met Multimens, de titel van de plaat, en die veelheid aan persoonlijkheden?
“Ja, het concept van de plaat is dat van iemand die naar buiten gaat in de wereld. En wat gebeurt er als je naar buiten gaat en interacteert met de wereld? Dan kom je gewoon achter andere kanten van jezelf. Dan zie je dat de wereld veel diverser is. Als je de weidsheid en de veelzijdigheid van de wereld ervaart, dan ervaar je ook gelijk de veelzijdigheid van de wereld in jezelf. En dat is een beetje dat multimens-concept.”

Afhankelijk van met wie je te maken hebt, ben je ook een andere versie van jezelf.
“Tuurlijk, je hebt ook wel eens dat je iemand ontmoet die je niet kent en in één keer hoor je jezelf praten of dingen zeggen die je anders nooit zegt. Dat zit al in jezelf, maar iemand anders haalt dat naar buiten. Dat kan goed of kwaad zijn. En om die versie te kunnen zijn, moet je dus interacteren.”

Zoals wel vaker in het gesprek neemt Wichers even een zijspoor, en alleen hij weet dat dat zijspoor óók gewoon langs het volgende station komt. “Ik houd niet van referentiekunst of referentiemuziek. Stel je voor, je denkt bij jezelf: ik ga een soulplaat maken. En dan denk je bij jezelf: wat heeft een soulplaat nodig? Blazers heb ik nodig, een funky baslijn en ik moet iets meer overdreven zingen, en als je die dingen optelt en bij elkaar voegt, dan heb je soul. Ik geloof dat niet. Heel veel muziek en kunst wordt zo gemaakt. Ik vind het gewoon cool als dingen zijn, waar ze over gaan. Als het werk zelf belichaamt wat de thematiek is, zoals nu het werkproces eigenlijk het hele verhaal belichaamt. En dan moet ik dus ook niet bang zijn om te doen wat ik gedaan heb. Want de sonische coherentie gaat verloren, maar wat gewonnen wordt is de weidsheid van het palet, van het geluidspalet en dat is dan een belichaming van waar ik het over hebben wil, over die multimens. Het idee dat dat allemaal in één persoon kan bestaan.”


“Ik zou ook meedoen aan hokjesdenken als ik mezelf alleen zou toestaan om te denken: ik heb een gitaar, een mondharmonica en daar vul ik dan tien albums achter elkaar mee.”

“In die zin is het ook een politiek statement bijna. Het geluid wordt ook een politiek statement, want je zegt er eigenlijk mee: mensen zijn niet één ding. Je kan niet naar iemand kijken die je niet kent, een sticker erop plakken en zeggen: jij bent dat. En dat is natuurlijk een van de grootste onderliggende problemen vandaag de dag. Dat mensen naar elkaar kijken en denken: dat is een homo, dat is een Marokkaan, dat is een moslim, dat is een christen, dat is een atheïst, dat is een academicus. Mensen zijn nooit dat alleen. Je komt nooit iemand tegen die je leert kennen en dat je dan denkt: ja, die is inderdaad écht alleen z’n hokje. Niemand ooit. Maar toch wordt er politiek gedacht langs die lijnen en daar heb ik een probleem mee. En dit is mijn manier van verzet, want ik vind ook dat je als artiest dan moet zeggen: ik ga daar niet aan meedoen. Ik zou ook meedoen aan hokjesdenken als ik mezelf alleen zou toestaan om te denken: ik heb een gitaar, een mondharmonica en daar vul ik dan tien albums achter elkaar mee. Dan kan het nog wel mooi zijn, maar ik vind dat echt problematisch.”

En dat trek je op deze plaat dan in het extreme.
“Ik fetisjeer het ja, absoluut. Misschien is het arrogantie, maar ik dacht ook bij mezelf, het kan ook wel nu. Mensen luisteren. Vroeger toen ik een tiener was, was je een gabber, óf een skater of een alto ofzo. Toen was het ook meer een identiteitsmarker. Zo van: dat is mijn muziek en zo ben ik. Terwijl, nu kan je gewoon op Spotify je playlist maken. Mensen zetten alles op shuffle, dus dan kan ik ook een plaat maken die klinkt alsof -ie op shuffle staat.”

Dat zou je prima vinden, als mensen deze plaat op shuffle luisteren?
“Ja, want het is toch allemaal anders, dus het boeit ook niet. Ik denk dat je ‘m op shuffle ook wel kan waarderen. Het aardige van shuffle is dat je soms contrasten krijgt die je normaal niet krijgt. Ik heb natuurlijk wel heel erg nagedacht over die plaat, want ik dacht: ik moet natuurlijk wel een beetje coherentie hebben, het moet ook niet klinken als een verzameling dingen. Het is een beetje alsof je een collage maakt.”

Een collage is ook niet willekeurig.
“Het is niet alsof je allemaal shit op de grond flikkert. Het is niet alsof je een vuilnisbak omkiepert en zegt: nu is het een collage. Ik dacht ook: de coherentie komt voort uit mijn stem en de thematiek. Je kan het ervaren als één verhaal. Wat jij net zegt, ‘Ik Had Nog Willen Zeggen’ en ‘Machteloos’ zijn onderdeel van dezelfde problematiek. ‘Machteloos’ gaat meer over een soort existentieel paranoia, ‘Ik Had Nog Willen Zeggen’ over een soort banale, alledaagse liefdesparanoia.”

Bij 3FM noemde je dit album laatst een soort confrontatietherapie.
“Ja tuurlijk. Ik deed altijd alles in m’n eentje, alles heel erg in mezelf. Met In Je Nakie… Dat is uiteindelijk een hele mooie plaat geworden, maar het oorspronkelijke idee was niet gelukt. En ik heb er destijds ook wel een beetje over ingezeten. Dat ik dacht: kan ik niet samenwerken ofzo? Ben ik zo beschermend voor mezelf geweest? De grap is, en dat is dus zo paradoxaal: er was een moment dat ik dacht: ik moet mezelf beschermen, anders kan ik niet vooruit. En op een gegeven moment denk je: ik moet die muur om mezelf afbreken, anders kán ik niet vooruit. Anders eindig je gewoon ergens in space. En ik wil wel op de aarde blijven met m’n muziek. Mijn favoriete muziek staat ook altijd met één voet in space en met één voet op aarde. Iedereen kan iets heel freaky doen en iedereen kan iets heel banaals doen, maar ik vind het mooi als die dingen samenkomen. Dat is met dit album ook wat ik er zelf het leukst aan vind. Op een bepaalde manier is het een heel freaky plaat – dat je denkt: dit is best wel raar ofzo. Maar aan de andere kant is het ook het meest toegankelijke dat ik ooit heb gemaakt. Ik merk: heel veel kinderen snappen deze plaat, heel veel oudere mensen, die mij meer uit het theater kennen, die vinden het heel tof. Het is heel gek eigenlijk. Het is een super rare plaat en tegelijkertijd wordt -ie als veel normaler geconsumeerd dan m’n andere platen. Al mijn favoriete artiesten hebben dat ook altijd een beetje. Het is half sterrenstof, half kluiten en groezelige aarde.”

Wichers ziet, nog ver voor het gesprek is afgelopen, een eindstation. “Ik heb er ook echt wel veel van geleerd – over samenwerking als artiest met de wereld om me heen. Ook omdat ik er achter kwam dat al die producers het allemaal zó anders doen. Op een bepaalde manier accepteer ik daardoor ook mijn solipsisme weer wat beter. Dan heb je met al die mensen samengewerkt en dan denk je, die mensen zijn allemaal zó anders. Sommige zijn heel emotioneel in het proces, die weten helemaal niet wat ze moeten doen en hebben dan opeens tien minuten van concentratie. En anderen gaan aan de slag alsof ze in een kantoor zitten. Zo van: dit moet gebeuren en aan het eind van de dag is het klaar. Daardoor heb ik nu zelf ook bedacht: er is niet één goede manier. Het gaat er gewoon om dat je jezelf van al die verschillende manieren kunt bedienen.”

Multimens is uit via Top Notch. Lucky Fonz III tourt de komende maand door heel Nederland.

Gepost door:Ruben van Dijk

Dolgelukkig melancholicus, reislustig thuisblijver. Ruben is mede-oprichter van Front & fervent platen(ver)koper. Gaat ooit een boek over Father John Misty schrijven.