Alles is precies wat het is op het debuut van Kwartet Niek Hilkmann, dat afgelopen januari bij Excelsior Recordings verscheen. Tegelijkertijd is Een Teken aan de Wand een plaat van twijfel. In klare taal wil de Rotterdamse zanger aan het roer vooral géén statements maken. Hij schippert en probeert vooral kant noch wal te raken.

Tekst: Ruben van Dijk
Foto’s: Kamiel Scholten

Niek Hilkmann volgt graag regionaal nieuws. Halverwege een pakweg twee uur durend gesprek over de meest uiteenlopende onderwerpen – van het postkoloniaal exotisme van de kamerpalm, gezelligheid als kapitalistisch vehikel en de gentrificatie van Rotterdam Charlois tot cultuursubsidies en avondklokrellen – begint hij in geur en kleur te vertellen over ‘Opa K’nex’, een 78-jarige Bredanaar wiens zelfgebouwde, twee meter hoge K’nex-reuzenrad begin dit jaar uit het trappenhuis van zijn flat werd gestolen. “Die man snapte er helemaal niets van natuurlijk. ‘Waarom doen mensen zoiets?’ Daar werd [bij Omroep Brabant, red.] een item over gemaakt en vervolgens kwam daar een collecte voor. Iedereen vond het zo zielig, daar moest iets aan gebeuren. Toen hebben ze binnen één dag tienduizend euro opgehaald. Ze hebben de collecte moeten stoppen, omdat deze nog verder opliep. Het werd eigenlijk onevenredig, want wáárom geef je die man tienduizend euro? Waar slaat dat op?!”

“Vervolgens werd het aan hem overhandigd – met een bloemetje en een gesponsorde cheque. Toen was er ook nog iemand, die zei: ‘opa, ik heb al een reuzenrad van K’nex voor je gebouwd!’ En die geeft ‘m net zo’n reuzenrad als hij al had, ongeveer even groot. Opa K’nex vraagt nog: ‘Zit er wel een motortje in?’ ‘Ja hoor’. Iedereen lachen, ha-ha-ha. En zo is hij binnen vier dagen tienduizend euro, een nieuw reuzenrad en flink wat media-aandacht rijker en ja… Wat zegt dat uiteindelijk?” 

“Tienduizend euro!,” roept Hilkmann nog eens verbaasd uit – niet dat hij er een definitief oordeel over zal vellen. “Die goede bedoelingen die mensen hebben, die kan je niet negeren. Het zou cynisch zijn om te zeggen: dit is alleen maar belachelijk. Mensen willen graag iets goeds doen, zien die man, zijn daardoor geraakt en doneren. Ze hebben blijkbaar in hun handelingsbereik geen idee wat ze kúnnen doen op dit moment. Maar de proporties, de gerichtheid. Het klopt allemaal niet. Als je bedenkt wat voor leed er allemaal in de wereld is en wat hier dan gebeurt…”

En zo kan hij “nog wel twintig voorbeelden” geven van regionale nieuwsverhalen en reportages die hem eindeloos fascineerden. (Het nummer dat hij schreef naar aanleiding van een Man Bijt Hond-item – over een jongen die geobsedeerd is door één specifieke kermisattractie – is dan nog niet eens ter sprake gekomen.)

Een gesprek met Hilkmann is een opeenvolging van dergelijke anekdotes en praktijkvoorbeelden gekoppeld aan filosofische inzichten en bijna academische lezingen. Het voelt even doordacht en gearticuleerd als dat het stream-of-consciousness lijkt te zijn. Wat dat betreft is luisteren naar Een Teken aan de Wand, het eerste album van het zogeheten Kwartet Niek Hilkmann, een vergelijkbare ervaring. Het ene moment onbezonnen en ogenschijnlijk onbenullig, vol absurde beeldspraak en taalkundige platitudes die geheel uit de mouw lijken te zijn geschud; het volgende moment onverwachts aangrijpend. Zo mijmert hij op slottrack ‘Zaamslag’: ‘Ik zet al jaren niet mijn wekker. De dag lijkt mij wel lang genoeg. Ik eet vanavond wel een cracker. Alles begint toch niet zo vroeg.’ Het is even zonneklaar als ondoorgrondelijk. 

Een raar gezicht

De liedjes voor Een Teken aan de Wand ontstonden al lang voor er zich een kwartet omheen vormde. En hoewel het kwartet – bestaande uit Hilkmann, zijn broer Ruud, Arie van Vliet (Lewsberg) en Dennis Vedder – ze stuk voor stuk live en in alle spontaniteit opnam, was het schrijfproces een kwestie van eindeloos sleutelen.

Hilkmann ging bewust op zoek naar de grootste dooddoeners van de Nederlandse taal. “Mensen gebruiken gezegdes en platitudes om iets te zeggen waar ze eigenlijk niet echt op in willen gaan. Het is een binnenweggetje, een manier om sneller tot een punt te komen of er juist geheel aan voorbij te gaan. Dit jaar heb ik zoveel variaties van ‘het is wat het is’ gehoord. Dat wordt een taalkundig muurtje waardoor je ook niet meer over dingen hoeft te praten. Men denkt nu met corona en alle teleurstelling die daarbij komt kijken: iedereen heeft dat, dus mijn ervaring ervan is irrelevant. Daarmee ontken je eigenlijk je echte gevoel.”

‘Het is wat het is en soms is dat juist mis,’ zingt Hilkmann op de titeltrack, en ‘Het duurt al zo lang en het blijft nog wel even aan de gang’. Hij roept af en toe maar wat, biecht hij op, omdat het zo’n interessante taalvorm is, maar: “Het is altijd de vraag: waar mag je wel zo’n binnenweggetje plaatsen? Waar mag je wel plat zijn en hoe ver kan je daarin gaan? Ik maak ook bewust de keuze er af en toe een wat gekkere zin in te laten, iets dat gewoon echt niet klopt. ‘Je bent hardnekkig als een giraffe’. Dat gaat natuurlijk helemaal nergens over.”

“Er is een idee dat door veel mensen gedeeld wordt, dat als ze het niet naar hun zin hebben, dat dat een probleem is.”

“Er zijn bepaalde zinnen waarvan het bekend is wat er gebeurt als je die gebruikt. Als je mensen treurig wil maken, dan zijn daar trucjes voor. Als je ze wil laten lachen, zijn daar trucjes voor. Ik vind het interessant om daar mee te spelen.” Hilkmann noemt ‘Raar Gezicht’ als voorbeeld. ‘Ik zie jou vaker hier. Je hebt een raar gezicht. Je houdt het altijd maar een beetje uit het licht,’ zingt hij daarop. “Het is voor mij het meest eerlijke en emotionele nummer dat op de plaat staat. Het is iets heel persoonlijk zelfs. Maar de meeste mensen zullen bij dat ‘rare gezicht’ – dat zo’n botte uitdrukking is – denken dat het daar bijna haaks op staat. Het roept een hoop vragen op en dat vind ik juist prettig, dat het niet zo eenduidig is.”

Jus d’orange

Een Teken aan de Wand is een album over “hele Nederlandse dingen, Nederlandse thema’s, gezegdes en spreekwoorden.” Dat is te merken aan de ansichtkaarten die Hilkmann zelf maakte en waarvan er een aantal op de albumhoes beland zijn, en aan het nummer ‘Gezelligheid’. De openingszin – ‘Tja, de één drinkt het liefste wijn en de ander jus d’orange’ – is zeldzaam autobiografisch. Jarenlang dronk Hilkmann geen druppel alcohol; een behoorlijk effectieve manier om de gezelligheid te verstieren. “Oorspronkelijk is dat liedje geschreven vanuit een soort ongemak dat voortkomt uit de sociale druk om plezier te maken en het gezellig te hebben – en de existentiële leegte die daarbij komt kijken, natuurlijk. Er is een idee dat door veel mensen gedeeld wordt, dat als ze het niet naar hun zin hebben, dat dat een probleem is. Dat maakt gezelligheid bijna een verplichting en zodra iets een verplichting wordt, wordt het problematisch. Geen alcohol drinken, dat is een enorm sociaal stigma, want wijn is fijn en bier is gezelligheid. Maar dat werkt niet voor iedereen en is niet voor iedereen leuk. Het liedje is ook niet per se kritiek op gezelligheid in het algemeen. Ik zeg niet: mensen mogen het niet gezellig hebben, of het is stom als je bier drinkt en het naar je zin hebt. Ik probeer een stem te geven aan het tegendeel, want dat bestaat. Het is de zelftwijfel die er bij komt kijken. Dat geldt voor bijna alles dat normatief is en gezelligheid is dat zeker.”

Twijfel en onzekerheid zijn een dankbare inspiratiebron. “Ik ben sowieso niet iemand die graag een stelling in neemt – of dat goed of slecht is, zelfs dat weet ik niet zeker. Die twijfel mag ook wel eens bezongen worden. Niet iedereen heeft zo’n heftige mening over alles, maar in een gepolariseerd landschap zoals nu lijkt dat bijna nodig te zijn.”

Popmuziekintelligentsia

Het gesprek komt op een ander onderwerp dat Hilkmann, in het verlengde van zijn verkenning en speelse manipulatie van alles dat normatief is, enorm dierbaar is: het Nederlandse lied en de popcultuur van de vroege jaren zestig. Hij vertelt over Top of Flop, het immens populaire jongerenprogramma dat van 1961 tot 1965 door de VARA werd uitgezonden en gepresenteerd werd door Herman Stok. “In eerste instantie haalden ze in dat programma de hits uit Amerika, die ze dan in de studio gingen luisteren. Het publiek bestond alleen maar uit tieners, die je braaf en bijna emotieloos zag luisteren, en vervolgens had je vier ‘volwassenen’ – meestal twee oude mannen in pak en twee flink wat jongere dames – die hun mening gingen geven en bepaalden of een nummer ‘top’ of ‘flop’ was. Dat is natuurlijk súper normatief, dat je een elite hebt, een soort intelligentsia die voor de jeugd besluit wat goede en wat slechte popmuziek is. Je ziet ook dat dat in het programma binnen vijf jaar totáál verschuift. En uiteindelijk mochten toch juist de jongeren zelf in de jury om hun mening te geven.”

In een playlist die Hilkmann samenstelde voor zijn huidige label Excelsior schemert zijn muzikale voorliefde voor bovengenoemde periode goed door. Contemporaine inspiraties als The Avonden, Meindert Talma en De Witte Kunst worden afgewisseld met onder meer Irene Lardy, Rob de Nijs en close harmony-groep The Fouryo’s. “Je had in Nederland de producties van Jack Bulterman. Als er een Amerikaanse hit was waarvan hij dacht, dit heeft potentie, dan had hij dat binnen een week vertaald en opgenomen. Hij had een hele stal met sterretjes – Willeke Alberti, Rob de Nijs, The Fouryo’s – die er dan bij werden gehaald en het in mochten zingen. Dat heeft een zekere charme, want het is altijd een soort verbasterde versie van wat het oorspronkelijk was. Als je de tijdsgeest van toen een beetje wil doorgronden, dan moet je dát luisteren.”

Aan die charmant knullige, door mannen-in-pak bedachte jongerencultuur komt, in de lezing van Hilkmann, een abrupt einde op 8 augustus 1964, als de Rolling Stones optreden in het Haagse Kurhaus. “Iedereen werd helemaal gek natuurlijk, mensen gooiden met stoelen, de politie moest erbij komen. Daar in het voorprogramma stond The Fouryo’s, die werden van het podium weg gejoeld! Dat is dé overgang geweest, het moment waarop de Nederlandse taal in de jongerencultuur volledig verketterd werd. Na 1970 durft bijna niemand daar in Nederland nog aan te beginnen en dat komt mede doordat wat er daarvoor gemaakt werd grotendeels een restproduct was van de Amerikaanse popindustrie, dat ook nog eens door bepaalde figuren heel normatief werd gebracht – waarom zou je dáár naar gaan luisteren!?”

“We leven nu in zo’n cynische tijd, dat het misschien juist heel activistisch is om te zeggen: het is soms gewoon wat het is en je moet er niet te veel achter zoeken.”

Normaal niet politiek

Voor Hilkmann blijft de muziek uit die periode echter een hoogst aansprekende inspiratiebron, evenals de schlagermuziek die later volgt en waarin, ook na ’64, het keurslijf dat hem zo intrigeert overeind is gebleven. De simpele teksten, de liedjes die soms nergens over gaan, de naïviteit – het is misschien wel prikkelender dan veel van de Nederlandstalige popmuziek die nu gemaakt wordt. Veel Nederlandse muzikanten hebben, volgens Hilkmann, het idee “dat het goede lied áltijd maar ergens over moet gaan en heel serieus moet zijn. Terwijl ik denk: daar moet ook een soort plezierige spontaniteit in zitten. We leven nu in zo’n cynische tijd, waarin iedereen zo gewend is om alles met een ironische subtekst te lezen, dat het misschien juist heel activistisch is om te zeggen: het is soms gewoon wat het is en je moet er niet te veel achter zoeken.” Een Teken aan de Wand is dan ook “absoluut niet ironisch” bedoeld, dat moet voorop worden gesteld. “Dat is echt niet de bedoeling. Dan neem je iets ook niet echt serieus.”

Hilkmann wil ook meermaals benadrukken dat Een Teken aan de Wand geen politieke plaat is en dat hij er niet op uit is om algemene maatschappijkritiek te geven. Toch schrikt hij tijdens het gesprek een paar keer op, als hij toch opeens ver van het oorspronkelijke onderwerp blijkt te zijn afgedwaald. “Jeetje, ik praat nu wel heel veel over politiek. Dat doe ik normaal niet per se, hoor.”

Het nummer ‘Turbo Polyp’ schreef Hilkmann over de 35-jarige kermisfreak Maikel, wiens obsessie met die ene attractie door Man Bijt Hond werd vastgelegd in een vijfdelige serie en van Maikel voor even een BN’er maakte. “Het hele liedje is geschreven vanuit een bepaalde ambiguïteit, omdat ik mezelf afvroeg: wat betekent dit nou? Waarom vinden mensen dit zo mooi? En is dat nou iets goeds of iets slechts? Als je de reacties eronder leest, zijn die bijna louter positief. Iedereen vind ‘m fantastisch, maar waarom eigenlijk? In die zin lijkt het een beetje op de kwestie rondom Opa K’nex. Eigenlijk heeft Maikel niet een prestatie geleverd waar mensen in bredere zin iets aan hebben. Zijn verdienste is een volledige overgave aan één specifieke interesse. Dat mensen dat zo waarderen zou je kunnen lezen als een reactie op de verbreding van onze cultuur. Mensen hebben het idee dat ze meningen moeten hebben over cancelcultuur, over gender en etniciteit, over feminisme, over álles. Het zou kunnen dat die vernauwing, die bewondering voor Maikels obsessie een manier is om daarmee om te gaan, om dat handelingsbereik weer terug te pakken.”

Ambiguïteit en twijfel komen op Een Teken aan de Wand – en tijdens ons gesprek – steeds weer naar boven. “Het is ook gewoon heel lastig dat bepaalde discussies volledig worden weggekaapt door extreme meningen en er bijna geen midden meer mogelijk lijkt te zijn. Dat zie ik als het grootste gevaar: dat je alles maar reduceert tot een makkelijk verteerbaar verhaal.”

Het lijkt bijna onvermijdelijk – ook Hilkmanns doelbewuste agendaloosheid wordt een agenda op zich.

Een Teken aan de Wand is verschenen bij Excelsior Recordings en hier aan te schaffen.

Gepost door:Ruben van Dijk

Dolgelukkig melancholicus, reislustig thuisblijver. Ruben is mede-oprichter van Front & fervent platen(ver)koper. Gaat ooit een boek over Father John Misty schrijven.