In november 1996 gaf de Nederlandse band Urban Dance Squad twee shows in het Studentski Kulturni Centar (SKC) in Belgrado, de hoofdstad van de toenmalige rompstaat Joegoslavië. De burgeroorlog en de jarenlange VN-sancties hadden de popscene van de stad naar binnen gekeerd. In 1995 tekenden de strijdende partijen de vrede van Dayton en leek er een nieuwe periode aan te breken. Kort daarna kwam The Prodigy naar Belgrado, en een jaar later was het de beurt aan Urban Dance Squad. Daar, in SKC, schreef de band geschiedenis, en niet alleen vanwege de muziek.

Tekst: Guido van Hengel
Foto’s: Srdjan Veljovic 

Breathe with me

Op 1 mei 2019 vinden in Belgrado de traditionele demonstraties plaats in het kader van de Dag van de Arbeid. Dit jaar overlappen de demonstraties met de al maandenlange voortdurende protesten tegen het corrupte en autocratische regime van president Aleksandar Vucic, een voormalige medewerker van wijlen president Milošević. Over de Kralja Milana-straat loopt een wat tamme optocht. Er zijn vlaggen, er zijn leuzen, maar het wil niet echt overtuigen. Op een grote kar staat iemand manmoedig de menigte op te jutten. Hij moet het vooral hebben van de muziekinstallatie, die luide hiphop brengt: Servische rap, afgewisseld met samples van citaten uit krakerige speeches van de voormalige Joegoslavische dictator Tito, die in 1980 overleed. Even later klinkt ‘Firestarter’ van Britse rave-pioniers The Prodigy. Het hele vertoon doet aan als een vergeelde foto uit de jaren negentig: een handlanger van Milošević aan de macht, een demonstratie tegen een corrupte regering, een hit uit 1996…

Wereldwijd heeft de song ‘Firestarter’ sinds maart dit jaar een bittere bijsmaak gekregen door de zelfmoord van de diabolische danser en MC Keith Flint. In Servië heeft ‘Firestarter’ echter nog een heel andere, diepere betekenis. In de jaren negentig was The Prodigy namelijk één van de zeer spaarzame bands die afreisden naar de geplaagde paria van de regio om daar een concert te geven. In december 1995 traden Flint, oprichter Liam Howlett en gezelschap op in de Pioniershallen in Belgrado, dicht bij de oevers van de Donau. Vele duizenden jongeren uit het hele land reisden af naar de hoofdstad. Tijdens dat concert bracht The Prodigy voor het eerst de latere hit ‘Breathe’. Onder de claustrofobische en manische kreten – “Psychosomatic, addict insane” – ging een uitnodiging schuil: “breathe with me”. Het Servische publiek nam die uitnodiging met beide handen aan.

De samenleving van Servië zat muurvast onder het regime van Milošević en was getraumatiseerd en ook beschaamd door de burgeroorlogen in Bosnië en Kroatië. Dragan Ambrozic, nu programmeur van het gerenommeerde podium Dom Omladine, was betrokken bij de organisatie van het legendarische concert en praat er nog steeds met levendig enthousiasme over. Het is november 2018, ik ontmoet hem in de coulissen, net na de soundcheck van een driekoppige Turkse jazz-rock-fusion-band. Hij loopt rond, schudt wat handen, inspecteert de zaal en neemt dan plaats: “Weinig Westerse bands durfden het aan om naar Belgrado te gaan, maar The Prodigy had een punk-attitude en die kon het niets schelen. In 1995 was Servië een getto en de kids voelden zich als groep dan weer de getto binnen die getto.  Het nummer ‘Breathe’ kwam hard binnen.”

De omstandigheden in Servië eind 1995 waren inderdaad verstikkend, maar er gloorde hoop. In 1995 hadden de leiders van de Bosnische Serviërs, Kroaten en Bosnische Moslims onder toeziend oog van Bill Clinton de vrede getekend in het Amerikaanse stadje Dayton. Deze vrede betekende ook dat de Westerse sancties tegen Servië werden opgeheven. Toch kwamen er nauwelijks westerse bands optreden. Ambrozic: “Na het opheffen van die sancties was het eigenlijk nog steeds geen zaken doen in Servië. Agencies durfden niet te gaan en de communicatie verliep moeizaam. We hebben het over 1995; er was nog geen e-mail. Alles moest telefonisch of met de fax. Het contact verliep via netwerken van DIY agents en mensen die zich flexibel opstelden. Het was nota bene Minister van Cultuur Nada Popovic-Perisic die ons hielp om The Prodigy naar Servië te halen. Ze had er eigenlijk helemaal geen verstand van, maar dat was juist wel prettig. Zo kon ik meer bereiken. Uiteindelijk was het regime zelfs trots op het concert.”

Eiland van de vrije gedachte

Dit was de late echo van een unieke traditie van het ongebonden Joegoslavië: alternatieve westerse popmuziek had daar altijd kunnen bloeien, ook onder de communistische dictatuur. Ilija Duni, zanger van onder andere de (inmiddels ter ziele gegane) band Petrol en bekend gezicht uit de Belgradose underground, legt uit: “Alternatieve muziek werd niet alleen gedoogd, maar zelfs gefaciliteerd, als een soort nuttige ventielfunctie voor de jeugd. Neem het culturele centrum SKC: het Milošević-regime financierde dat indirect. Toch kwamen daar steeds vernieuwende bands spelen. SKC heeft een cruciale bijdrage geleverd aan de muziek en cultuur van Servië, vooral in de jaren negentig. Het was een eiland, een eiland van de vrije gedachte.”

“We voelden ons vastgezet tussen het Westen en het regime. We moesten het allemaal zelf doen.”

Ilija Duni

Alternatieve popmuziek kreeg aan het einde van de jaren tachtig niettemin concurrentie. De oorlogspartijen promootten geen rock ’n roll, maar een soort goedkope versie van ‘narodna muzika’ (volksmuziek): drillerige, ingeblikte jengel met oriëntaalse beats en een entourage van folklore-kitsch. Duni: “In mijn vooroorlogse middelbare schooljaren luisterden maar één of twee klasgenoten naar deze muziek. Een paar jaar later, tijdens de oorlog, was het overal te horen.” Vooral de warlords uit de hogere politieke en criminele kringen lieten zich op televisie en elders begeleiden op de klanken van deze ‘turbofolk’. Zo raakte die muziek vervlochten met de geluiden van de burgeroorlog, de oorlogen in Bosnië, Kroatië en Servië, en vormde het de soundtrack van de desintegratie.

In Belgrado, de voormalige hoofdstad van de multi-etnische federatie, raakte de jeugd in de oorlogsjaren niet alleen verveeld en afgestompt, maar ook gedesoriënteerd. Duni: “Door de sancties vanaf 1992 konden we niet naar het Westen en zaten we opgescheept met Milošević, de leider die ons weliswaar soms faciliteerde, maar die we toch in en in haatten. We voelden ons vastgezet tussen het Westen en het regime. We moesten het allemaal zelf doen. In die tussenruimte creëerden we een eigen, unieke scene, waarin alle genres met elkaar vermengd raakten. Die was, ondanks alles, heel levendig. De muziek van die tijd was hybride: allerlei crossovers van dub, jazz, rock, heavy metal, rap, hiphop en wat dan ook. Dat paste ook bij onze positie tussen het Oosten en het Westen in.”

Muziek en stadscultuur  vormden een belangrijke basis voor het verzet. Het dissidente radiostation B92 speelde een essentiële rol door het ondergrondse verzet te voeden met muziek en culturele munitie. Na het concert van The Prodigy leek er een periode van dooi in te zetten. De oorlog was afgelopen, het einde van de dictatuur van Joegoslavië was in zicht en de zogenaamde ‘End of History’, zoals velen de staat van de wereld na de Koude Oorlog zagen, leek zich nu ook naar Servië te bewegen.

Duni: “Juist in de dagen van eind 1995, begin 1996 begonnen we te voelen dat de dagen van Milošević spoedig over zouden zijn. Dat gaf lucht. Tegelijkertijd was het ook verontrustend dat het Westen Milošević prees omdat hij de vrede had getekend in Dayton. Hij was ineens de ‘poortwachter van de vrede in Bosnië’. Van datzelfde Westen kregen we – zij het verwaterd – allerlei interessante muziek en cultuur door. Het leek nu alsof dat Westen zich ook tegen ons keerde. Dat was verwarrend.”

Genuine Crossover

“Het concert van The Prodigy was een doorbraak”, vertelt Ambrozic. “Daarna leek het vaker te lukken om bands uit het westen naar Servië te halen.” Het was Konstantin Polsovic, één van de oprichters van EXIT in Novi Sad (inmiddels uitgegroeid tot één van de grootste festivals van Europa), die de Nederlandse band Urban Dance Squad naar Belgrado haalde voor een concert in SKC. Dit zou plaatsvinden op 20 november, in het kader van het programma Rock the Nation Yugoslavia.

Foto: Srdjan Veljovic.
Foto: Srdjan Veljovic.

De Nederlandse crossover-band was populair in de regio. In 1991 stond het tweede album Life ’n Perspectives of a Genuine Crossover op nummer acht in de eindejaarslijst van B92. “Die crossover-stijl klonk voor ons vrij natuurlijk, want we hadden al veel langer iets vergelijkbaars in Servië”, vertelt Ambrozic. “Er was een echte Belgrado-school met drum ’n bass van de pionierende band Disciplina Kičme. Zij brachten hun eerste platen al in de vroege jaren tachtig uit. Belgrado kende wat dat betreft dus al een scene voor experimenten met verschillende stijlen, meer nog dan in de andere steden van Joegoslavië. Zagreb had vrolijke popbands, Ljubljana had intellectuele projecten zoals Laibach, en in Belgrado speelden bands zware en vernieuwende muziek. Als je het mij vraagt, denk ik dat het in de mensen zit, in de energie van de stad.”

Duni beaamt dit, en vertelt hoe hij het als volstrekt natuurlijk had ervaren dat Urban Dance Squad in Belgrado kwam spelen: “Ze speelden de perfecte muziek voor Servië. Ze mixten allerlei stijlen door elkaar, net zoals wij. Urban Dance Squad voelde als ‘onze band’, maar dan uit Nederland. Hun hybride mix sloot naadloos aan op de dromen en gevoelens die we toen hadden. We zagen Nederland dan ook als een tolerante, vrije en open samenleving. Dat speelde absoluut mee. Zo’n cultureel gemixte band paste in ons beeld van een melting pot. Ik denk dat dat ook meehielp aan hun succes in de Verenigde Staten, daar begrijpen ze de vibe van de band.” Duni lacht: “Het was eigenlijk een Amerikaanse én een Servische band, maar dan uit Holland.”

De observatie is niet zo raar. Urban Dance Squad was spreekwoordelijk ‘on-Nederlands’. De eclectische en mondiaal gerenommeerde band had de halve wereld gezien. Het vijftal was samengekomen in de jaren tachtig in Utrecht en kreeg in de nationale underground een unieke live- en cultstatus. Na de release van debuutalbum Mental Floss for the Globe (1989) ging het ook internationaal crescendo. Er kwamen hits, ook in de VS (‘Deeper Shade of Soul’, ‘Fastlane’), en de formatie inspireerde een hele generatie crossover-bands, van de Red Hot Chili Peppers tot aan de Beastie Boys, Rage Against the Machine en Mano Negra. Behalve in de VS kreeg de Squad ook voet aan de grond in Frankrijk en Duitsland en drong het door tot in de muziekscene van Japan.

“Urban Dance Squad maakte niet alleen de muzikale verbinding met ons als publiek, maar ook persoonlijk, als mensen die dezelfde gevoeligheden begrijpen.”

Ilija Duni

De wilde expressie van Rapper Rudeboy, gitarist Tres Manos, drummer Magic Sticks, bassist Sil en DJ DNA had ook een schaduwzijde. Rauwe energie kan immers omslaan in conflict. De eerste confrontaties waren met de buitenwacht: de platenmaatschappijen en de media. Daarna sloeg de negatieve energie ook naar binnen toe. Veel van die spanning is al terug te zien in de documentaire Vijf Jaar Wanorde die Bram van Splunteren in 1991 maakte voor VPRO Onrust. Hierin spreken de bandleden zich uit over de schaduwzijden van de roem. Veelzeggend is een fragment waarin rapper Rudeboy verbitterd in de camera kijkt als hij over de energie om en rondom de band spreekt: “Direct na het optreden is het over. De rest is kolder.”

In 1993 verliet DJ DNA de band, middenin een tournee in Frankrijk. De overige bandleden deden het voortaan zonder de scratcher en kwamen met een hard en compromisloos album: Persona Non Grata (1994). De single ‘Demagogue’ werd een klassieker, maar de band kon het succes niet voldoende verzilveren. Vergelijkbare bands, zoals Rage Against the Machine, konden dat wel.

Belgrado als Planeet Ultra

Urban Dance Squad leek daarom zo midden in de jaren negentig van Nederland enigszins gedesoriënteerd. In het bedaagde polderland, dat geregeerd werd door een liberaal-sociaal-democratische paarse poldercoalitie, was alles consensus en gemoedelijkheid. De ernstige thema’s die frontman Rudeboy vaak op furieuze toon aankaartte, zoals onderdrukking, verzet, racisme, geweld en vervreemding, vonden geen vruchtbare bodem. De muziekpers, veelal ironisch en jolig, maakte zich vrolijk over dit engagement. Waar was toch die vijand die de Squad zo duidelijk in het vizier had? In 1996 kwam het lauw gerecenseerde album Planet Ultra uit. De jubel van de vroege jaren had plaatsgemaakt voor verveeld chagrijn in het beste geval, en vaker nog voor regelrechte afkeuring.

Het was precies in de tournee voor deze plaat dat Urban Dance Squad Belgrado aandeed, de hoofdstad van het vergeten en verguisde Servië. Van twee kanten bleek de ontmoeting vruchtbaar: de stemming van Urban Dance Squad resoneerde met die van de Servische muziekliefhebbers. Beiden snakten ze naar een andere planeet, een plek om ultiem vrij te zijn. In een interview met de band voor het Servische alternatieve muziektijdschrift Ukus Nestanih vraagt de journaliste Ana Davidovic er heel specifiek naar: ‘Ik vind het een te gekke titel. Het doet me denken aan Belgrado. Wat betekent Planeet Ultra voor jou eigenlijk?’ Gitarist Tres Manos antwoordt: ‘Het gaat over de mogelijkheid dat je ergens heen kunt vluchten voor de ellende.’ In een Nederlands interview vertelt Rudeboy iets vergelijkbaars: ‘Planet Ultra gaat over de verbeelding van de wereld in ons hoofd. Wanneer dingen te saai worden, te duf en ondraaglijk, gaat Planet Ultra over zaken die het alledaagse overstijgen.’

Demonstratie op Terazije, het centrale plein van Belgrado, in november 1996. Foto: Srdjan Veljovic.
Demonstratie aan het begin van de Knez Mihajlova in november 1996. Foto: Srdjan Veljovic.

De boodschap landde in Servië, en hoe. De wens om een knellende realiteit te ontvluchten kwam net dat jaar in vervulling. Bij de lokale verkiezingen hadden de oppositiepartijen eerder die maand gewonnen in alle grote steden, inclusief Belgrado, Niš, Novi Sad, Kragujevac, enzovoorts. Het regime van Milošević had een grote nederlaag geleden. Burgers van Belgrado organiseerden vreugdedemonstraties in de stad en vlogen elkaar in de armen. Zou behalve de oorlog ook het tijdperk van het Milošević-regime afgelopen zijn?

“Slobo [bijnaam van Slobovan Milošević, red.] had verloren”, vertelt Duni, “maar hij weigerde de uitkomst te accepteren. Hij verklaarde de verkiezingen als ongeldig en binnen twee dagen waren allerlei stempapieren verdwenen. De oppositie claimde de overwinning. In die winter was het vijf jaar geleden dat de oorlog was begonnen. We besloten dat er een goede reden was om tegen de manipulatie te protesteren.”

Ambrozic herinnert zich nog hoe het verzet werd gemobiliseerd door de radio. “Normaal had Slobo de media, en dan vooral de lokale media, onder controle. Dat was in 1996 niet meer het geval. Ook radio en televisiestations uitten kritiek op de ‘gestolen’ verkiezingen. Hij raakte in paniek.”

De commotie over de gestolen verkiezingen viel samen met de komst van Urban Dance Squad. Srdjan Veljovic was toen fotograaf voor het tijdschrift XZ Zabava en was gevraagd om bij de persconferentie en het concert zelf aanwezig te zijn. “Persoonlijk kende ik de band niet, maar ik wist wel dat iets bijzonders zou zijn. Ik vermoedde dat het een interessant concert zou kunnen worden. In die merkwaardige dagen konden zulke evenementen echt uitgroeien tot iets groots.”

Foto: Srdjan Veljovic.

Extravagante energie

Op 20 november was het zover. Urban Dance Squad speelde in de grote zaal. Het concert was geheel uitverkocht. “We hadden echt behoefte gekregen aan een normaal leven,” vertelt Veljovic, “Een leven waarin je gewoon naar een band kunt gaan en plezier kunt hebben.” De Squad speelde veel nummers van de laatste plaat, aangevuld met klassiekers als ‘No Kid’ en ‘Fastlane’. In afwezigheid van DJ DNA was toetsenist U-Gene meegereisd, die de harde rock aanvulde met zompige akkoorden, piepende solo’s of borrelende bijgeluiden.

Opener was het cryptische ‘Nonstarter’, daarna het jagende ‘Inside-Outsider’, gevolgd door – toepasselijk – een funky afrekening met de leugens en verdraaiingen in de media: ‘Tabloid Says’. Veljovic stond als fotograaf helemaal vooraan: “De sfeer was intens. Dat is vaak zo bij het publiek in Servië, maar ik denk dat het toen nog meer was dan anders. Ik kan me ook nog herinneren dat ik na het eerste concert besloot nog een tweede keer te gaan. Dat was niet zomaar iets.”

Het tweede concert op 21 november was nog wilder. “Het was een furieus concert”, schreef dagblad Blic op 22 november. Ook andere kranten, inclusief het propaganda-orgaan van de Milošević-regering, prezen de enorme energie van het optreden. De Dnevni Telegraf omschreef de Squad als “één van de meest relevante bands van de jaren negentig” en de Express sprak van een “extravagante energie”.

Foto: Srdjan Veljovic.
Foto: Srdjan Veljovic.
Foto: Srdjan Veljovic.

Duni memoreert: “Het verzet tegen de ‘gestolen verkiezingen’ begon in Niš, in het zuiden van het land, en op het moment dat het tweede concert zou plaatsvinden, was het verzet ook naar Belgrado gekomen. En ik ging dus in die rebelse sfeer naar het concert. Buiten demonstreerden de mensen, een revolutie hing in de lucht. De frustratie over de door Slobo gestolen uitslag van de lokale verkiezingen was aanwezig. Het concert was goed, de atmosfeer was geweldig. De band pikte de gespannen sfeer, gebruikte de energie die in de lucht hing, internaliseerde het, en gaf het door de muziek weer terug aan ons.”

“Een heel bijzonder moment,” herinnert popjournalist Davidovic zich. “De interactie met het publiek was zó extreem dat de band geëmotioneerd raakte door die ontlading van energie. Ik herinner me dat Rudeboy na afloop de tranen uit zijn gezicht moest vegen.”

De gele revolutie

Na het eerste concert op 20 november verzamelden de demonstranten zich voor SKC voor een grote actie tegen Milošević. Alles zinderde. De hele stad stond op zijn kop. In zijn boek Serbia Calling laat de Britse journalist Matthew Collin een van de demonstranten aan het woord, die werkte voor radiostation B92: “Heel plotseling, vanuit het niets, kwamen de studenten naar het plein. Het was als een catharsis. De hele atmosfeer veranderde, iedereen keek om zich heen en realiseerde dat dit iets nieuws was, iets anders, en dat iets groots stond te gebeuren.”

De Squad was zich bewust van de historische betekenis van het concert en besloot het concert van die avond op te nemen. Het zou later uitgebracht worden als het live-album Beograd Live – een hommage aan de stad en het Servische publiek.

De demonstraties hielden lang aan: vanaf november 1996 tot maart 1997, gedurende vierentachtig dagen, in weer en wind. Tienduizenden betogers groeiden aan tot een massa van honderdduizenden betogers, die de straten van Belgrado bezetten en eisten dat Milosevic de uitslag van de verkiezingen zou erkennen. Het waren tot dan toe de grootste demonstraties in Joegoslavië. Gezinnen met kinderen, punkers en rockers, studenten en plattelanders liepen mee in de demonstraties. Het was een groot theatraal gebeuren, waarbij de popmuziek van de vrijheid een belangrijke boventoon voerde: drumbands, verkleedpartijen, performances en optredens begeleidden het verzet. Omdat demonstranten het gebouw van de staatstelevisie hadden bekogeld met talloze eieren noemden sommigen deze opstand gekscherend de ‘gele revolutie’ – verwijzend naar de kleur van de opgehoopte drab bij de ingang van het hoofdgebouw van Radio Televisie Servië (RTS). Op momenten wanneer RTS nieuws uitzond, reageerden de demonstranten door overal hard op potten en pannen te slaan. In de demonstraties liepen schapen mee met een bordje om: ‘We steunen de partij van Milošević’. De opstand transformeerde in een sociale performance, waarin de Serviërs hun ellende konden delen op straat, in de openbare ruimte.

Demonstranten dragen de ‘doodskist’ van Slobodan Milošević en zijn partij. Foto: Srdjan Veljovic.
Tegendemonstratie, georganiseerd door de partij van Milošević. Foto: Srdjan Veljovic.

In maart 1997 kwamen de demonstraties tot een einde met een enigszins slap compromis tussen de oppositie en de regering. Alle energie was op en de oppositie viel weer als los zand uiteen in talloze ruziënde facties. In 1998 brak een nieuwe oorlog uit in de zuidelijkste Servische provincie Kosovo. Servische milities en Albanese rebellen gingen gruwelijk tekeer, duizenden mensen sloegen op de vlucht. In 1999 zou de NAVO ingrijpen met een ruim zeventig dagen durend bombardement op Belgrado en andere Servische steden. De herinnering aan het vreedzame verzet van 1996-1997, de performance van eensgezindheid en ironische kritiek op de ‘gestolen verkiezingen’ vervaagde.

Het verdwijnen van de vijand

In november 2018 bezoek ik het persarchief van SKC, waar een wat oudere dame me de persmap van het concert voorlegt. Het is donker in het archief, de lampen zijn uit. Buiten is het zonnig, maar de luiken zijn naar beneden. Wanneer ik de aanwezige medewerkers vraag naar herinneringen van het concert komt er niet veel uit. Eén medewerker herinnert zich het concert alleen in algemene termen en begint een verbitterd verhaal over hoe vroeger alles beter was, op het ritme van de bekende mantra’s ‘niemand houdt van Servië’ en ‘de oorlog heeft hier alles kapot gemaakt.’

Op de vraag of er enige verband is tussen het concert van de Urban Dance Squad en de opstanden van 1996 antwoordt de archivaris dat dat “puur toeval” is dat die twee gebeurtenissen tegelijkertijd plaatsvonden. “We zijn nooit een politiek podium geweest”, concludeert hij, en daarmee is de kous af.

Duni ziet de correlatie van gebeurtenissen meer in termen van energie en de tijdgeest. “Als ik eraan terugdenk dan zie ik weer de invloed van het dissidente radiostation B92, die democratie probeerde te brengen, en vrijheid. En anderzijds Otpor, de studentenbeweging, die in 2000 probeerde het regime van Milošević ten val te brengen. Temidden van al die ontwikkelingen, in die vreemde, bevreemdende tijd, kwam Urban Dance Squad, en dat concert is voor mij onlosmakelijk verbonden met die tijd. Het is met elkaar verweven. Urban Dance Squad was, voor ons althans, een rebelse band. De geëngageerde teksten, de gitaarmuziek, grunge, de elementen van rap, symbolische muziek die ageert tegen het systeem. Ik weet dat ze nadien nog met allemaal mensen uit het publiek hebben rondgehangen en ze gingen geloof ik nog de stad in. Ze maakten niet alleen de muzikale verbinding met ons als publiek, maar ook persoonlijk, als mensen die dezelfde gevoeligheden begrijpen. Dat is, denk ik, waarom het zo een legendarisch concert is geworden, vooral in de alternatieve, undergroundkringen hier in deze stad.”

De opstand van 1996-1997 zorgde niet voor het gewenste effect. Het was uiteindelijk de chaos die ontstond tijdens en na de bombardementen van 1999 die een einde maakten aan het bewind van Milošević. In Nederland herenigde Urban Dance Squad zich met DJ DNA en kwam in 1999 met een nieuwe CD: Artantica. Hoewel het album fris, herboren en vernieuwend klonk, kon het toch het einde van de samenwerking niet uitstellen of voorkomen. In hetzelfde jaar verliet gitarist Tres Manos de band. Daarop viel de Squad – net als Joegoslavië – uiteen. De jaren negentig, een tijdperk van culturele crossovers en wilde vrijheid, kwamen tot een einde. Wat volgde was transitie, en – voor Servië – de toetreding tot de eenentwintigste-eeuwse liberale wereldorde. Eindelijk vrijheid, eindelijk marktwerking.

Twintig jaar later is de popscene van een heel andere orde geworden. Duni vertelt dat hij, in tegenstelling tot voorheen, in het tijdperk van de markt eerst met een uitbater om de tafel moet zitten om te kijken hoeveel het kost en hoeveel geld hij kan verdienen. De markt is de realiteit.

Op 1 mei 2019 vertelt fotograaf Veljovic me dat hij denkt dat het in Servië tegenwoordig ‘moeilijker’ is dan in de jaren negentig om een maatschappijkritische band te boeken. “De mensen hier zijn tegenwoordig vreselijk serieus”, zegt Veljovic. “Mensen spelen niet meer: kinderen niet, en volwassenen ook niet. In de demonstraties van 1996 was er misschien niet veel om over te lachen, maar er was een bepaalde ironie, een manier van spelen, een theatrale creativiteit die ik nu mis. Kijk, tegenwoordig hebben we hier – zoals overal –een Westers-kapitalistische muziekindustrie, die er is voor entertainment. Maar toen had muziek nog een soort maatschappelijke functie. Het betekende iets voor het publiek.”

Gepost door:Guido van Hengel

Schrijver van non-fictie. Laatste boek: De zieners (2018).