Al dertig jaar springt Jeff Parker met speels gemak heen en weer tussen genres. De Amerikaanse gitarist en componist speelt onder meer in de legendarische postrockband Tortoise en de avant-gardistische jazzformatie Chicago Underground Orchestra, maar werkte ook met Smog, het project van de experimentele folkzanger Bill Callahan. Zijn recente werk is persoonlijker van aard. Met The New Breed (2016) en het in januari verschenen Suite For Max Brown bracht hij een eerbetoon aan zijn ouders en liet hij zien dat zijn vernieuwingsdrang geenszins is afgenomen nu hij de vijftig is gepasseerd.

Tekst: Dirk Baart
Foto’s: Jim Newberry

Het is een uur of tien ’s ochtends in Los Angeles. De stad waar Jeff Parker een paar jaar geleden vanuit Chicago naar toe verhuisde, zit net als de rest van de wereld op slot. Het heeft zijn weerslag op Parkers creativiteit. “De afgelopen jaren heb ik vooral in mijn eentje muziek gemaakt”, vertelt hij, terwijl hij het laatste slaapzand uit zijn ogen veegt. “Dat gaat wat makkelijker sinds ik in Californië woon, want ik heb hier een studio aan huis. Niks chics hoor, gewoon een ruimte met wat microfoons en instrumenten. In principe verandert de lockdown dus niets aan mijn situatie. Maar toch lukt het me de afgelopen weken niet om muziek te maken. Geen idee waarom, maar ik raak niet geïnspireerd.”

De nadruk die Parker momenteel op zijn solomateriaal legt, mag als statement gelezen worden. “Ik probeer aan de wereld – en aan mezelf – te laten zien dat ik een componist en producer ben. Dat had ik tot voor kort nooit gedaan. Ik was altijd onderdeel van samenwerkingen.” Parker noemt Tortoise, de band die in de jaren negentig een cultstatus bereikte met zijn combinatie van krautrock, elektronica en minimal music. Parker trad in 1996 toe tot de groep en speelde mee op TNT, Tortoise’ gevierde album dat een jaar later verscheen. Mede met dank aan Parker leunde Tortoise op TNT meer richting jazz dan het tot dan toe had gedaan. Daarnaast is Parker medeoprichter van Chicago Underground Orchestra en Isotope 217, een soort hybride van dat ensemble en Tortoise. De lijst van muzikanten met wie Parker de afgelopen dertig jaar samenwerkte is lang en met regelmaat te herleiden naar de Association for the Advancement of Creative Musicians (AACM), waar Parker deel van uitmaakt. Zo speelde hij met wijlen tenorsaxofonist en trombonist George Lewis, die in 2009 een boek over de AACM publiceerde en op Front eerder werd bewierookt door Angel Bat Dawid. “De manier waarop ik omga met muziek is bijna altijd sociaal van aard”, legt Parker uit. “Er loopt geen rode draad door de projecten waarbij ik betrokken ben, behalve dat ik zo veel mogelijk van mijn creatieve energie in ze stop als ik kan. Puur omdat ik dat aan mijn medemuzikanten verschuldigd ben.”

Dat Parker zich nu wat van die samenwerkingen verwijdert, heeft hem de ruimte gegeven om in zijn eigen muziek wél zo’n rode draad te creëren. The New Breed noemt hij het. Het is de titel van het album dat hij in 2016 uitbracht, en de naam van de groep muzikanten die Parker verzamelde om de muziek die hij schreef voor The New Breed en Suite For Max Brown op te nemen. Onder meer bassist Paul Bryan en cellist Katinka Kleijn maken deel uit van het ‘collectief’, net als drummers Jamire Williams, Jay Bellerose en Makaya McCraven. Maar boven alles is The New Breed de naam die Parker gegeven heeft aan het creatieve proces dat ten grondslag ligt aan zijn laatste twee platen.

“De manier waarop ik muziek maak is nogal trial and error. Vaak werken ideeën niet en gooi ik van alles weg, maar ik experimenteer nou eenmaal graag. Wat als ik dit probeer? Of als ik dit stukje hier neer zet? Het afgelopen decennium ben ik bezig geweest met een proces waarin ik sampling combineer met de improvisatie die je vaak in jazz tegenkomt en traditionele compositie. Gewoon liedjes schrijven, zeg maar. Daarna probeer ik al die benaderingen door middel van productie te verenigen in één geluid. Ik wil dat je het proces niet meer kunt horen, dat amper te onderscheiden valt wat een sample is en wat improvisatie.” Op Suite For Max Brown slaagt Parker in die missie. Zijn plaat klinkt als een collage, waarin een veelheid van losse ideeën onderdeel uitmaakt van één geheel, maar waaruit vaak niet te herleiden valt welke fragmenten nou gesampled, geïmproviseerd of gecomponeerd zijn.

Uitzondering daarop zijn de momenten op Suite For Max Brown waarop Parker duidelijk uit andermans muziek put. Zijn eigen versie van John Coltrane’s ‘After The Rain’ is wat dat bereft fraai, maar interessanter is zijn vrije interpretatie van Joe Hendersons ‘Black Narcissus’. ‘Gnarciss’ heet Parkers variant op de opener van Power To The People (1969), waarop Henderson samenwerkte met Herbie Hancock en de gevierde jazzbassist Ron Carter. “Ik hoorde het intro van die track en kon mijn oren niet geloven. Ik wilde het meteen als uitgangspunt gebruiken voor iets nieuws. Het is uiteindelijk in een bijna onherkenbare versie op de plaat beland. We bleven er maar dingen aan toevoegen.”

Net als het korte maar uiterst swingende ‘C’mon Now’ – met een prominente sample van Otis Reddings ‘The Happy Song (Dum-Dum)’ – is ‘Gnarciss’ een moment waarop Parker erin slaagt generaties te overbruggen en op een moderne manier een ode te brengen aan zijn muzikale helden. Het zijn ook tracks die Parkers levenslange fascinatie voor hiphop blootleggen. “Ik heb me nooit volledig verdiept in de technische kant van hiphop, maar ik ben altijd liefhebber van het genre geweest”, vertelt Parker. “Het sorteren van samples is geen bewust proces. Ik val daarin terug op iets dat in de hiphopwereld ook wel producer’s ear wordt genoemd. Dat betekent dat je meteen de impuls hebt om een bepaald fragment te manipuleren als je muziek hoort, zelfs al is het maar in het voorbijgaan. ‘Oh, ik zou daar alleen de kickdrum kunnen pakken en vanuit daar iets heel nieuws kunnen maken.’”

De benadering die Parker kiest op Suite For Max Brown is dan ook verwant aan zijn verleden als dj en crate digger. Zijn speelse muziek klinkt bij vlagen alsof hij een jazzplaat en een hiphopplaat mixt zoals een dj dat zou doen, of zoals producers als J Dilla en Madlib dat aan het begin van deze eeuw deden. Parker herinnert zich met name het moment dat hij tijdens een van zijn sets min of meer per ongeluk in slaagde om een deel van John Coltrane’s A Love Supreme te versmelten met een plaat van de Japanse muzikant en producer Nobukazu Takemura. Parker moet dezelfde openbaring hebben gehad als de YouTuber die erachter kwam dat een improvisatie van Miles Davis precies op ‘New York I Love You, But You’re Bringing Me Down’ paste. “Ik had ineens een combinatie van free jazz en een digitale beat. Zoiets wilde ik op Max Brown ook doen. Ik heb heel veel respect voor het erfgoed van zowel hiphop als jazz, maar wil ook mijn best doen om niet te veel mee te gaan in hun tradities en me juist van hen los te blijven koppelen.”

Suite For Max Brown is dan ook een eclectische plaat, waarop naast hiphop en jazz ook sporen van funk, soul en 90s R&B te ontwaren zijn. Sporen die in de meeste gevallen alleen naar Parker zelf te herleiden zijn: het grootste deel van de ‘samples’ bestaat uit knipsels uit de opnames met ‘leden’ van The New Breed. Vaak werden die opnames gemaakt in 1-op-1-sessies met Parker, zelden in groepsverband. Parker voegde de lagen later naar eigen inzicht bij elkaar en reeg ze met zijn gitaarlijnen aan elkaar. Verder bevat de plaat veel fragmenten uit zijn eigen archief. Het zijn opgeknipte of geloopte versies van gitaarlijnen die soms al jaren in zijn digitale bibliotheek stof lagen te happen. Het maakt ze uniek en minder herkenbaar als zijnde een sample, maar die aanpak is voor een deel ook uit noodzaak geboren. Muzikanten uit het experimentele circuit kunnen zich nu eenmaal niet veroorloven om op grote schaal de gebruiksrechten van samples te kopen. “Het maakt me verdrietig dat auteursrechtelijke wetten muzikanten verhinderen om muziek te maken met opnames, terwijl dat voor mij juist als zo’n logische vorm van creatie voelt. Eigenlijk kunnen alleen grote popsterren nu werken met samples. De rest is bang om aangeklaagd te worden.”

Niet alleen muzikaal gezien brengt Jeff Parker het verleden op The New Breed en Suite For Max Brown naar het heden. Op inhoudelijk vlak put hij inspiratie uit zijn eigen familiegeschiedenis. The New Breed, het concept dat de huidige fase van Parkers loopbaan omvat, is een referentie aan de kledingwinkel die zijn vader Eddie bezat in Bridgeport, Connecticut, de stad waar de gitarist in 1967 geboren werd. De gelijknamige plaat werd een eerbetoon aan Parker senior, die tijdens de opnames overleed. Een foto van hem – voor de gevel van de bewuste kledingwinkel –  siert de hoes.

Op zijn beurt werd Suite For Max Brown een lofzang op Parkers moeder, Maxine Brown. Dit keer was het een foto van haar die Parker als artwork gebruikte, een licht gekreukte foto van de 19-jarige Brown, genomen in de sixties. “In eerste instantie twijfelde ik of ik het album aan haar op moest dragen”, vertelt Parker. “Ik wilde niet dat het onoprecht overkwam, dat het een trucje leek. Maar tegelijkertijd vond ik het belangrijk om een album op te dragen aan mijn moeder nu ze er nog is om dat mee te krijgen. Ik had het gevoel dat het haar veel zou doen, en dat deed het ook. Ze is er erg trots op.” Parker haast zich te benadrukken dat het grotendeels instrumentale Max Brown niet direct over zijn moeder gaat, net zo min als de composities op The New Breed de persoonlijkheid van zijn vader direct vangen. “Het is niet zo dat een bepaalde harmonie me aan mijn vader doet denken, of dat een akkoord de gemoedstoestand van mijn moeder vat. Het is meer zo dat mijn ouders deel zijn gaan uitmaken van wat ik doe. Als ik doe wat ik wil doen en de muziek maak die ik wil maken, is dat een eerbetoon aan hen.”

Parkers ouders – die beiden leraar waren – steunden zijn beslissing om fulltime muzikant te worden, al hadden ze er vanzelfsprekend moeite mee dat hij zijn opleiding niet af maakte. “Ik wist dat ik ook leraar zou worden als ik mijn diploma zou halen”, blikt Parker terug. “Zodra ik even geen shows had kunnen krijgen, had ik mezelf ongetwijfeld ingeschreven als invaldocent. ‘Gewoon voor een maandje, om wat geld te verdienen.’ Maar voor je het weet is het dertig jaar later. Mijn vader was best enthousiast over het muzikantenbestaan en kwam vaak kijken als ik speelde. Maar mijn moeder maakte zich zorgen. Terecht natuurlijk, het is een harde wereld. Je staat als muzikant onderaan de ladder, krijgt pas betaald als er iets overblijft nadat alle andere mensen zijn betaald. Elke muzikant die ik ken zit nu zonder werk.” Lachend voegt hij eraan toe: “Mijn dochter is ook muzikant, ze zingt op de afsluiter van The New Breed en de opener van Max Brown. Het is geweldig om muziek met haar te maken, maar ik maak me nu net zoveel zorgen over haar als mijn moeder zich maakte over mij.”

Suite For Max Brown is uit via International Anthem. 

Gepost door:Dirk Baart

Oude ziel en notoir anglofiel. Dirk is mede-oprichter van Front, assistent-programmeur bij Poppodium EKKO in Utrecht en marketeer bij Into The Great Wide Open en Valkhof Festival.