This is the Dutch translation of the original article. For English, click here.

João Caçador en Lila Fadista ontmoeten elkaar in Lissabon vanuit een wederzijdse liefde voor fado. Aanvankelijk lijken de strenge regels van het traditionele muziekgenre niet te passen bij hun queer zijn, maar samen vinden ze toch een manier om die traditie toe te eigenen. Met Front bespreekt het duo hoe ze conservatisme trotseren, een stille geschiedenis een stem geven en ten strijde trekken tegen de terugkeer van extreemrechts aan de vooravond van de Portugese presidentsverkiezingen. 

Tekst: Beatriz Negreiros
Vertaling: Ruben van Dijk

Februari 2019. Er hangt spanning in de lucht in Lissabon. Een spanning van maatschappelijke en politieke aard om precies te zijn; spanning die voortkomt uit een van de hardnekkigste problemen in Portugal vandaag de dag: racisme. Vier jaar eerder zijn zeventien politieagenten beschuldigd van het martelen van zes jonge zwarte mannen in het politiebureau van Alfragide, iets dat door velen werd beschouwd als een voorbeeld van racistisch politiegeweld. De zaak in kwestie staat nu terecht en is voortdurend in het nieuws. Volgens Mamadou Ba, de leider van antiracismeorganisatie SOS Racismo, wordt in het land (dat tot de jaren zeventig een koloniaal bewind voerde) te weinig over racisme gesproken. Zijn uitspraken worden beantwoord met harde kritiek en zelfs bedreigingen. En om het allemaal nog erger te maken wordt in diezelfde periode de leider van de neo-fascistische beweging Nova Ordem Social, Mário Machado, uitgenodigd om aan te schuiven bij een van de meest bekeken talkshows van Portugal, Você Na TV. Het strafblad van Machado is lang; zo zat hij vier jaar vast voor zijn betrokkenheid bij de moord op Alcindo Monteiro, een 27-jarige zwarte man, in 1995. Nog geen 25 jaar later lijkt Monteiro alweer uit het maatschappelijk bewustzijn verdwenen. In alle rust mag een van zijn moordenaars voor miljoenen kijkers vertellen over zijn ‘controversiële standpunten’.

“Al die zaken waren voor ons erg verontrustend,” herinnert Lila Fadista zich. Fadista vormt de helft van het duo Fado Bicha en is verantwoordelijk voor zang en tekst. João Caçador begeleidt haar op gitaar. Samen spelen ze, zoals de eerste helft van de naam doet vermoeden, fado, een van de meest herkenbare muzikale tradities van Portugal, waarbij een jammerende zanger en een melancholische gitarist liederen vertolken over verlangen en ‘het lot’ (de letterlijke betekenis van ‘fado’). Maar zoals blijkt uit het tweede deel van hun naam (‘bicha’ is in het Portugees een scheldwoord dat, net zoals het woord ‘queer’, is toegeëigend door de LGBTQ-gemeenschap), draagt Fado Bicha daarbij expliciet hun identiteit uit. Het is gerust ongehoord te noemen in een land dat nog altijd worstelt met de erfenis van de conservatieve dictatuur die voor een groot deel van de twintigste eeuw de dienst uitmaakte en waar fado een integraal onderdeel van was.

In februari 2019 besluiten Fadista en Caçador, die zichzelf zowel muzikanten en activisten noemen, om hun frustratie te uiten over een bevolking die halsstarrig weigert het racismeprobleem in het land te bespreken. Fado Bicha neemt een eigen versie op van ‘Lisboa, Não Sejas Francesca’ (‘Lissabon, Wees Niet Frans’) van Amália Rodrigues – waarschijnlijk ‘s werelds beroemdste fado-artiest – en richt de kritiek in het nummer niet langer op de onderdanigheid van Lissabon naar het buitenland, maar op het gebrek aan bezinning op het racistische verleden én heden in de hoofdstad. “Ik heb altijd al iets met dat nummer willen doen,” herinnert Fadista zich. “Door die ene zin, ‘Lissabon, Wees Niet…’ had het de potentie om als fado én als protestlied te dienen. Er zijn zoveel dingen die Lissabon niet zou moeten zijn. Racistisch, bijvoorbeeld.”

In de video bij ‘Lisboa Não Sejas Racista’ speelt Caçador vol agressie op zijn elektrische gitaar, terwijl Fadista gepijnigd en met een slepende stem zingt over de racistische bedreigingen aan het adres van Mamadou Ba, het optreden van Mário Machado bij Você Na TV en meer. Het nummer heeft op YouTube inmiddels bijna honderdduizend views vergaard; de comments van over de hele wereld blijken een voorteken te zijn van het succes dat voor Fado Bicha zou volgen in binnen- en buitenland. Naast een uitgebreide Portugese tour, speelde het duo ook in onder meer Spanje, Frankrijk, Brazilië en IJsland. Maar hoe zijn twee queer muzikanten erin geslaagd door te breken in de ogenschijnlijk ouderwetse en conservatieve fadowereld? En bovenal: waarom?

“Ik wist dat ik mijn eigen ruimte moest afbakenen binnen de fadowereld.”

Lila Fadista

Hoewel fado nu veelal wordt geassocieerd met de conservatieve waarden van de rechtse dictatuur die het tot een van zijn culturele peilers maakte (samen met voetbal en religie), was het in eerste instantie juist een uitlaatklep van gemarginaliseerde bevolkingsgroepen – iets dat Fado Bicha nu probeert te herstellen door hun identiteit op de voorgrond te plaatsen. In zijn vroegst bekende vorm is fado te herleiden tot de negentiende eeuw, toen het in de Lissabonse wijken Alfama en Mouraria gezongen en gespeeld werd door prostituees, zeelieden en havenwerkers – de buitenbeentjes. Onder het regime van minister-president António de Oliveira Salazar werd de muziek echter losgerukt van zijn bescheiden oorsprong en aan het front geplaatst van een cultureel offensief. Amália Rodrigues werd als nationaal symbool zo Portugees als de vlag. 

De precieze oorsprong van fado is nog altijd een punt van discussie, maar deskundigen als Rui Vieria Nery zijn het er over eens dat het hoogstwaarschijnlijk begon bij de culturele en etnische smeltkroes in de haven van Lissabon. De dictatuur maakte het tot een strikt Portugees fenomeen; een bron van dezelfde ultra-nationalistische trots die Mário Machado en anderen er toe zette Alcindo Monteiro te vermoorden, precies op de plaats waar fado geboren is.

“In de tijd waarin wij opgroeiden – in de late jaren negentig, de vroege jaren nul – was fado bij de jeugd niet bijzonder populair,” herinnert Caçador zich. “Ik werd er voor het eerst echt aan blootgesteld in mijn tuna (een universitaire muziekgroep, red.), waarmee we vooral Amália zongen. Toen begon haar poëzie – niet alleen wat ze zong, maar ook hoe ze het zong – echt bij me binnen te komen.” Een paar jaar later neemt een bevriende fadozanger Caçador mee langs de vele fadohuizen die Lissabon rijk is. Vooral de geringe afstand tussen publiek en performer maakt indruk op de jonge muzikant. “In een fadohuis zie je soms iemand die nog nooit op het podium heeft gestaan, maar een bepaalde fado door en door kent, opstaan en zich bij de zanger voegen. Dat is in iedere andere live-setting onvoorstelbaar. Stel je voor dat je bij een Radiohead-show staat en iemand opeens het podium opklimt om vervolgens ‘Creep’ te gaan zingen. Zoiets zou nóóit gebeuren.”

Maar Caçadors fascinatie maakt plaats voor teleurstelling als hij voor het eerst tegen de strenge regels van het genre aanloopt. “Ik kon bepaalde fado’s niet zingen omdat ze voor vrouwen bedoeld waren, ik moest gitaar spelen volgens hele nauwe regels… Ik kon niets doen dat echt van mezelf was.” Pas als hij Lila Fadista, ook een queer muzikant die haar plaats in de fadowereld probeert te vinden, ontdekt dankzij een Facebook-video, raakt Caçador gemotiveerd hetzelfde te gaan doen. Ze beginnen samen te spelen en doen dat tot op de dag van vandaag.

Fadista ondervindt vergelijkbare struikelblokken tussen het moment in haar tienerjaren waarop ze fado ontdekt en het moment dat ze zichzelf als volwassene een volwaardige fadozangeres mag noemen. “Mijn band met fado is heel anders dan die van João, omdat ik geen muzikant ben en ook nooit een sterke band gevoeld heb met fadohuizen – of de fadowereld in het algemeen. Het voelde voor mij als een onbereikbare wereld.” Net als Caçador, leert ze het genre pas echt goed kennen dankzij het onmiskenbare stemgeluid van Amália Rodrigues. “Ik begon mezelf te zien in dat wat ze zong, ik begon het te koppelen aan mijn eigen levenservaring.” En dus wil Fadista het ook zelf leren zingen, maar als ze via de gebaande paden (fadoscholen, fadohuizen) toegang zoekt, voelt ze zich er allesbehalve welkom. “Ik wist dat ik mijn eigen ruimte moest afbakenen in de fadowereld,” vertelt ze, en zo geschiedde. Al snel sluit Caçador zich bij haar aan en is Fado Bicha een feit.”

“We vertellen gewoon ons verhaal.”

João Caçador

Volgens Fadista en Caçador draait het zingen en spelen van fado als queer persoon om meer dan alleen ondermijnen en ontwrichten. Om beurten lichten ze toe hoe ingewikkeld het is om kunst te creëren als queer persoon, vooral binnen een muzikale traditie die zo historisch conservatief en heteronormatief is. De twee zijn zorgvuldig in hun woordkeuze en spreken met academische precisie.

“We zijn niet van nature zo opstandig,” begint Fadista. “En wat we doen is ook niet per se opstandig. Het wordt opstandig op het moment dat het botst met een groter maatschappelijk systeem dat ons bij voorbaat al niet accepteert.” Het is belangrijk om te benoemen dat homoseksualiteit tot 1982 verboden was in Portugal. Homoseksuele of lesbische personen zijn in de algemene geschiedschrijving van het land een zeldzaamheid; non-binaire of transgender personen zijn in de mainstream zo goed als non-existent. “We worden opstandig omdat we, ondanks dit alles, erin zijn geslaagd de kracht en de middelen te vinden om in vrijheid te leven.”

Volgens de zangeres worden traditie en normativiteit regelmatig door elkaar gehaald: dat er in fado over het algemeen maar weinig queer personen een rol spelen, is niet het gevolg van traditie; het is het gevolg van een samenleving – en dan vooral de Portugese samenleving – wiens heteronormativiteit het bestaansrecht van queer personen in de mainstream verpulvert heeft. “Ervaringen als de onze, identiteiten als de onze bestaan al sinds het begin der tijden,” legt ze uit. “Natúúrlijk zijn mensen uit de LGBTQ-gemeenschap vanaf het prille begin betrokken geweest bij het creëren, componeren en spelen van fado. Maar ze waren niet in staat hun eigen verhalen te vertellen. Misschien was er in 1845 ooit een queer persoon die een fado zong over hoe het is om queer te zijn in Mouraria. We zullen het nooit weten.”

Wat Caçador betreft schuilt de politieke dimensie van Fado Bicha niet in de manier waarop hij en Fadista een bepaald cultureel erfgoed hebben toegeëigend, maar in de honderden jaren dat er voor LGBTQ-verhalen in het genre geen plek was. “We vertellen gewoon ons verhaal,” zegt hij. “Als we andermans verhalen zouden vertellen, dán was het politiek geweest.”
“Dit is waar Fado Bicha een rol kan spelen,” besluit Fadista. “Niet alleen door aan te tonen dat er een gebrek aan LGBTQ-vertegenwoordiging is in de geschiedenis van de fado, maar ook door te kunnen zingen: ‘Lila Fadista, jouw mooie verhaal, wordt in onze herinnering bewaard’ (op het nummer ‘Lila Fadista’, red.). Door dat te zingen, werken we toe naar een optimistische geschiedschrijving. We zijn er nog niet, maar we gaan er voor zorgen dat we wel zo ver komen. We zullen onszelf een plek geven in deze traditie, omdat het al die tijd óók van ons geweest is.”

“Met alles dat er om ons heen gebeurt, zou het voor ons raar zijn om liefdesliedjes te gaan zingen.”

Lila Fadista

Was extreemrechts in Portugal in februari 2019 nog een kabbelend beekje, dat desalniettemin steeds sneller begon te stromen; inmiddels heeft het het politieke debat volledig overspoeld. Sinds vorig jaar mag een gloednieuwe partij, Chega genaamd, meeregeren in het land. En hoe afschuwelijk de populistische retoriek van de partij voor sommigen ook is; velen voelden zich er door aangetrokken. Zo stelt de partij onder meer een grondwetswijziging voor die chemische castratie voor pedofielen mogelijk zou maken en willen ze het in 2010 in Portugal gelegaliseerde homohuwelijk opnieuw verbieden. Onlangs nog diende Chega een wetsvoorstel in met als doel de baarmoeders te laten verwijderen van vrouwen die abortus hebben ondergaan. De meedogenloze partijleider, André Ventura, haalt sinds zijn verkiezing medio 2019 vrijwel iedere keer als hij het parlement toespreekt het journaal – van het moment dat hij zwart parlementslid Joacine Katar Moreira vertelde “terug naar haar eigen land” te moeten gaan tot zijn voorstel, aan het begin van de coronapandemie, om specifiek de Roma-bevolking van het land in isolement te plaatsen. Nu heeft Ventura zijn zinnen gezet op de presidentsverkiezing in januari. 

En was de etnische spanning in Lissabon in februari 2019 voelbaar; inmiddels is die ondraaglijk en voor sommigen zelfs dodelijk geworden, zoals de moord op Bruno Marques Candé afgelopen zomer laat zien. De 39-jarige zwarte acteur werd doodgeschoten, vlak nadat zijn moordenaar had geroepen dat hij “terug naar zijn eigen land” moest gaan. Het deed velen nog maar eens denken aan de dood van Alcindo Monteiro; de woorden van de moordenaar leken ondertussen ijzingwekkend veel op dat wat Ventura Katar Moreira had verteld. 

Muziek heeft in Portugal altijd al een belangrijke rol gehad in politiek activisme. Het was een lied – ‘E Depois Do Adeus’ van Paulo de Carvalho – dat het startsignaal gaf voor de militaire coup die in 1974 de democratie herstelde. De revolutie werd bezongen door stemmen als die van Zeca Afonso, Sérgio Godinho en Zé Mário Branco, die in het collectief geheugen sindsdien onlosmakelijk verbonden zijn met de bevrijding. Maar wiens revolutie was het? De belangrijkste gezichten waren, in ieder geval op muzikaal gebied, vrijwel uitsluitend witte heteromannen. Destijds verklaarde kolonel Galvão de Melo dat “de revolutie niet voor de prostituees en de homoseksuelen is geweest”. Nu dient Fado Bicha de kolonel met het nummer ‘Marcha do Orgulho’ van repliek: ‘Schat, wij zijn de revolutie’. Zesenveertig jaar na dato, eigenen Fadista en Caçador zich de traditie van het Portugese protestlied toe en breiden ze de thematiek ervan verder uit. Niet alleen de strijd van de LGBTQ-gemeenschap komt aan bod; ook xenofobie, genderongelijkheid, dierenrechten en, vanzelfsprekend, racisme.

Op de vraag of hun creatieve zielsverwanten zich ook verplicht zouden moeten voelen dergelijke onderwerpen in hun werk aan te snijden – zeker in het huidige politieke klimaat – lijkt het antwoord een welklinkend “nee”. “Niemand zou zich verplicht moeten voelen om waar dan ook over te zingen!” Toch is er een maar: “Ik zou graag zien dat artiesten, vooral in de mainstream, zich op politiek geëngageerde kunst richten. Ik denk dat dat een teken zou zijn van een volwassen democratie,” aldus Fadista. Caçador vult aan: “Net als met humor ontstaat muziek niet in een vacuüm. Je wordt geacht een bepaalde verbinding aan te gaan met de echte wereld.” Fadista: “Ik heb het gevoel dat het, met alles wat er om ons heen gebeurd, raar zou zijn om liefdesliedjes te gaan zingen. Begrijp me niet verkeerd, ik ben dol op liefdesliedjes, maar dat is niet wat ik wil maken.”

Over de telefoon klinkt ze, net als Caçador, ernstig bezorgd over de huidige stand van zaken. Maar ze klinkt ook sterk; er klinkt een zekere weerbarstigheid door in haar zuivere, weloverwogen manier van spreken. Niet heel anders dan hoe dat bij Amália Rodrigues het geval was. En misschien is dat wel waar het bij fado al die tijd al om ging. 

Gepost door:beatriznegreiros

Small Portuguese person living in Utrecht who knows how to English. Currently learning how to Dutch. Kafka once said that writing about music is like dancing about architecture; I'll give both a shot.